Bekijk het eens vanaf het water!

Zoals zoveel landgenoten dezer dagen heb ik mijn zomervakantie doorgebracht in eigen land. Het werd Friesland, omgeving Stavoren, en het was prachtig. Het weer toonde zich in allerlei gedaantes, maar toch meestal in de vorm van zonnige zomerdagen, aan ons en dat vond zijn weerslag in de vakantiefoto’s van het landschap. Tegen een achtergrond van wolken, dijken, schapen en water heb ik een heerlijke week gehad. En de sloep die we hadden gehuurd, was de kers op de taart en bood nieuwe perspectieven. 

De Luts

In de auto op de terugweg tussen Himmelum en Balk konden we het ons maar moeilijk voorstellen dat we enkele meters daarnaast hadden gevaren. Daar stroomt De Luts, een vaart zo breed als twee sloepen, omzoomd met dicht begroeide oevers. Toen we er twee dagen eerder overheen suisden tegen 5 kilometer per uur zagen we wel een aantal auto’s rijden maar dat het een voor Friese begrippen drukke verbindingsweg zou zijn ging geheel aan ons voorbij. Gelukkig maar, want nu waanden we ons in de vrije natuur.

Ook op andere plekken kwam dit gevoel naar boven. ‘Hè, hebben wij híer gevaren??’ Het lijkt nog niet eens op elkaar, terwijl het precies dezelfde plek is. Je beziet de zaken met recht eens ‘van de andere kant’ en komt uit op een wezenlijk andere beleving. Wat misschien een beetje nietszeggend is vanaf de oever, is prachtig vanaf het water, of vice versa. Of het is allebei mooi, zoals nu vaak het geval was, maar in het ene landschap domineert het weilandgroen met stolpboerderijen en in het andere blikveld het donkere water en het riet.

Perspectief

Je ziet ze tegen vakantietijd wel eens in de lifestylemagazines of in de krant: lijstjes met de beste 5, 8 of 10 tips voor een goede vakantiefoto. Daarop prijkt eigenlijk altijd wel de tip: kijk ook eens een keer terug in de richting van waar je vandaan komt. Dan zie je het landschap waar je bent geweest vanuit een ander perspectief. Ik probeer het vaak genoeg toe te passen en het is zo. En dat geldt dus ook voor een blik vanaf het water of vanuit de lucht.

Als dat voor landschapsfoto’s geldt, dan kunnen we dat principe misschien ook wel eens meer gaan toepassen op onze ruimtelijke plannen. Sowieso kijkt iedereen anders tegen hetzelfde plan aan; de een zit in het bootje van de beeldkwaliteit, de ander fietst op het fietspad van de economie of wandelt over het bruggetje van de erfbeplanting. Daar heb je al rekening mee te houden. Maar we moeten met elkaar ook eens van standpunt durven wisselen, in dat bootje springen of het bruggetje oplopen. Het kan misschien net die opening geven om tot een doorbraak of een beter plan te komen. Het voelt als een cliché, maar daarom is het nog niet minder waar. En mijn vakantie-ervaring kan ik voor zo’n inzicht goed gebruiken.

Het bovenstaande geldt overigens ook voor meningen en standpunten. Stap af en toe eens in een bootje! Je ziet de dingen anders en dan is de mening van de ander ineens ook wat waard. “Zo had ik het nog niet eerder bekeken!”

En verder een hele fijne vakantie met dito inzichten, let goed op elkaar en geef corona geen lift naar huis.

Voorstelbaar

Laatst kwam er weer eens een gemeentelijke brief binnen. Een langverwacht antwoord op een ingediend principeverzoek en dan is het toch even spannend: kunnen we door of niet? Is het ja, is het nee? En warempel (of ja, warempel? Gelukkig gebeurt het vaker wel dan niet): het was een positief bericht. Of ja, was het dat ook echt? De ontwikkeling was ‘voorstelbaar’. Voorstelbaar. Het vereiste nog enige uitleg naar de klant. Wat bedoelen ze nu eigenlijk? Dan leg ik uit dat hier een ja, mits wordt bedoeld: wat je wil mag, onder voorwaarden.

Voorzichtig

‘Voorstelbaar’ geeft me al enige tijd kriebels. Er is zoveel voorstelbaar. Als ik mijn ogen sluit en eens flink ga fantaseren, dan kan ik me oneindig veel voorstellingen maken van dingen. Ik zie na zo’n brief ook de gemeentelijke toetsers voor me, de ogen dicht of minstens enigszins dichtgeknepen om tussen de oogharen door te visualiseren of wat deze klant vraagt geprojecteerd kan worden op de plek waar het om gaat. Maar het punt is nu dat de klant er niet om vraagt dat her en der de ogen dicht gaan, maar juist voluit open, om vooruit te kunnen kijken. Je wil liefst een volmondig ja, maar op zijn minst een ‘ja, mits’. Ja, ik ondersteun je idee. Maar je moet wel aan deze randvoorwaarden voldoen, anders wordt het alsnog een nee. Dát is duidelijk. 

‘Voorstelbaar’ is de voorzichtigheid gevangen in één woord. Je hebt nog altijd geen ja gezegd. Je wekt er de indruk mee dat je nog altijd terug kunt: “Ik heb het me wel voorgesteld maar ik heb nooit gezegd dat ik het ook een goed idee vind”. Het geeft geen schwung, het inspireert voor geen meter. 

Jargon

‘Voorstelbaar’ is jargon (=vaktaal die voor buitenstaanders moeilijk te volgen is) en jargon is onuitroeibaar. Dat geldt uiteraard niet alleen voor de bedrijfstak der overheid. Loop een willekeurig softwarebedrijf binnen en je oren staan te klapperen. Maar goed, ik kom uit en begeef mij in de ambtelijke wereld en daar is het zéker nog niet uitgeroeid. Zelf bezondig ik mij er ook vaak genoeg aan. Dan hoor ik mij aan de telefoon bijvoorbeeld zeggen: “Ik zal eens bij de gemeente sonderen of er alternatieve routes bewandeld kunnen worden.” De stilte aan de andere kant van de lijn drukt me dan meteen met de neus op de feiten. Soms corrigeer ik mezelf dan snel genoeg: “Oftewel: ik ga met de gemeente bespreken of het ook anders kan.”

Ooit heb ik in een schriftje teksten opgeschreven die ik tegenkwam bij de gemeente en waarvan ik dacht: dit mag niet verloren gaan voor de mensheid. Bijvoorbeeld: “Zowel van de ramingen opgenomen in de bijlage als van de ramingen opgenomen in het conceptvoorstel kunnen wij niet zeggen of ze bij benadering juist zouden kunnen zijn.” Heerlijk toch? Onlangs mocht ik weer een tijdje in een gemeentelijke organisatie rondlopen en daar hoorde ik op een gegeven moment: “Ik wilde even weten of de regiogriffiers in regionaal verband afspraken hebben gemaakt over het lokaal aanvliegen van de samenwerkingsagenda” en in een mail las ik: “Er is nog weinig tijd om de Omgevingswet te implementeren. Daarom is ervoor gekozen om een doorstart te maken waarin we programmatisch-projectmatig werken.” Dat vind ik al iets minder heerlijk. Wat in hemelsnaam betekent dit? Ik kan me er geen voorstelling bij maken. 

Laten we het erop houden dat het de moeite waard is om de door ons gebezigde taal af en toe eens goed tegen het licht te blijven houden. En ‘Voorstelbaar’? Het hoort er nu eenmaal bij maar ik kan mij onvoorstelbaar goed voorstellen dat we dit woord gaan vervangen door een ander. Wie doet een voorstel?

Getekend voor het leven

Het is genetisch bepaald dat ik teken. De talloze lijnen die mijn vader in zijn leven op papier heeft gezet, hebben al navolging gekregen in (naar mijn bescheiden mening toch iets minder van talent getuigende) tekeningen op de basisschool, voor de carnavalskrant en andere hobbydingen. De verhuizing uit het ouderlijk huis afgelopen februari was feitelijk daarin één grote aha-erlebnis. Inmiddels is het aantal lappen tekst het aantal lijnen ruimschoots gepasseerd, maar: het bloed kruipt waar het vandaan komt. Ik voel het. En het kán ook, want helpt me zakelijk vooruit.

Een plaatje praat

Mijn werk begint vaak met een idee in een hoofd van een klant. Soms ligt dat idee tijdens de intake al voor me uitgetekend, in een pentekening van vaak een vierkantje (een huis) in een ander vierkantje (een perceel) met daarnaast in ruwe stijl handgeschreven maten. Dat idee moet naar de gemeente, in woorden maar ook in beelden. Dat plaatje moet beter. Meest voor de hand liggend is dat dit door een architect of landschapsontwerper liefst maatvast wordt uitgewerkt. Om te duiden én te verleiden. Maar voor de klant voelt dat niet zelden als te vroeg. Lees: te duur.

En daar zit ook wel weer iets in. Want los van het feit dat ook de ontwerpers keurige marktconforme prijzen vragen moet er wel wéér iemand naar de opgave kijken, buiten de man van de ronkende teksten (ik). Da’s dubbel geld. Terwijl in die allereerste fase een helder beeld van de situatie voldoende is. Gemeentemensen zijn gewend om die te ‘lezen’ en zich dus een goed beeld te vormen van wat de bedoeling is. Genoeg om een positief of negatief geluid erover te laten horen, waarop je door kunt. Waarop het echte ontwerpen begint. 

Dat eerste plaatje, die ’situatietekening’ zo u wilt, daar ben ik me steeds meer in aan het bekwamen. Wat ik daarvoor al geknutseld heb, getekend heb in potlood, gescand, gephotoshopt, over een wazige screenshot van de luchtfoto geplakt, het is best aandoenlijk. Beoordelaars van plannen, ik geef nu toe: ik heb me best wel eens erdoorheen gebluft met maatvoeringen die slechts blijk gaven van een timmermansoog of gevoel voor verhoudingen (als een parkeerplaats 5 meter lang is, dan moet dit ongeveer 8,5 meter zijn…). Maar voor het doel was het altijd wel geschikt.

Gereedschap

Het staat of valt natuurlijk allemaal met gereedschap en de kennis en kunde om dit te hanteren. Langzaamaan, via carnaval- en kermisdingetjes en de cursus Infographics, kwam Adobe Illustrator in mijn leven en het is een van mijn grootste vrienden geworden. Maatvast tekenen is echter nog altijd wel een dingetje en daarom is enige CAD- of GIS-kunde ook wel gewenst. Maar voor een eenpitter als ik met een beperkte tekenbehoefte valt het rekensommetje met die dure pakketten niet goed uit. Los nog even van de cursuskosten.

Maar er is van alles te Googlen en inmiddels zijn ook de eerste zelfgemaakte CAD-tekeningen op mijn scherm verschenen. Die blijdschap als het lukt om de lijnen te zetten waar je ze wilt hebben, te draaien en de maatvoering op tekening te zetten, ik zou mezelf eens moeten zien! Al self-schoolend trek ik door het landschap van de tekenprogramma’s en het gaat steeds beter. Ik kan mijn klanten én de beoordelende partijen dus ook steeds beter voorzien van nuttige praatplaatjes.

Zijn er betere ontwerpers? Jazeker, duuzenden. Kan het allemaal nog veel beter? Ook waar. Maar het tekent een mens dat hij zich verder bekwaamt in dingen die hij leuk vindt. Dat geeft betekenis aan het leven. 

De demonstratie van het eigen gelijk

Ik heb er een nachtje over geslapen, maar de boosheid en verontwaardiging over wat er gisteren in Amsterdam gebeurde zijn nog niet weg. Meerdere retweets van gelijkgestemden en zelfs mails naar politici hebben het gevoel nog niet weggenomen. Dan rest nog maar één ding: het van me af proberen te schrijven in een blogpost. Er is zoveel mis aan wat ik gisteren zag en hoorde, dat ik er bijna moedeloos van word. Maar ook verdrietig. 

De kern van de zaak is al door velen verwoord: waar het kabinet iedereen met klem oproept om allerlei vrij drastische maatregelen te nemen om een volgende corona-uitbraak te voorkomen, waar zorgpersoneel zich meer dan uit de naad heeft gewerkt om de boel onder controle te krijgen, waar bedrijven het echt niet gaan redden als de crisis langer duurt dan nodig, waar horecabedrijven met de centimeter in de hand hun toko inrichten, daar gaan 5.000 mensen hutjemutje bij elkaar op De Dam staan. Het risico nemend dat een uitbraak door dit event de boel opnieuw op slot gaat gooien, en passant elke maatregel van onze bestuurders ondermijnend (want waarom zouden we nog luisteren als dit mag?). En de burgemeester zegt: “Het is té belangrijk en het is ieders eigen verantwoordelijkheid.”

Ammehoela. Mijn zwaar verstandelijk beperkte broer heeft sinds half maart één keer zijn moeder gezien, waar hij gewend is om elke twee weken een weekend bij haar te logeren. Met kunst en vliegwerk van de begeleiding en een extra pilletje wordt het redelijk in de hand gehouden. Op 1 juli (nóg een maand!) mag logeren weer, áls tenminste alles goed gaat in Nederland. IK vind het te belangrijk dat mijn broer mentaal in orde is, IK vind dat mijn moeder en mijn broer qua corona niks mankeren en dat een logeerweekend verantwoord is, maar dan nóg volgen we de richtlijnen. Voor alle andere mensen om ons heen. De 5.000 mensen van gisteren waren de jongeren van een paar weken geleden die zeiden: “Ik kan best een barbecue houden, want ik word toch niet ziek.” 

Vermijd drukte. Hoe moeilijk kan het zijn?

Bubbels

Naast de bedenkelijke rol van de burgemeester van Amsterdam (dat je niet gaat schieten op 5.000 mensen snap ik, maar het lijkt me toch dat je toch ook eerder íets had kunnen doen om te voorkomen dat het zo aan zou zwellen?) kijk ik zeker ook de 5.000 mensen zelf aan en ben ik maar weer eens hard op de feiten van de tegenwoordige tijd gedrukt. Het eigen gelijk verblindt alles, verzwelgt alle tegenargumenten. De mensen aan tafel bij Op1 die persoonlijk geraakt worden door het thema racisme gaan vollédig mee in de argumentatie van de burgemeester, omdát het onderwerp zo belangrijk is. BN’ers die twee weken geleden nog tweetten over anti-lockdown demonstranten omdat zij geen afstand hielden, tweetten nu foto’s van de Dam begeleid met duimpjes en spierballen. En dat is weer koren op de molen van ‘de andere kant’ van het politieke spectrum en de verwensingen volgen elkaar weer in no time op. Ik zag alweer de eerste mening voorbij komen dat iedereen die boos is op deze demonstratie racisme blijkbaar goedkeurt……zucht.

Ik vind die zichzelf in stand houdende polarisatie echt het vergif van de samenleving. De bubbels van het eigen gelijk lijken groter en groter te worden en vooral ook ondoorzichtiger. Naar buiten kijken is er niet meer bij. Ik moet zelf ook opletten. Ik denk dat ik in een anti-Trump-bubbel zit en vraag me af hoe je in hemelsnaam níet in een anti-Trump-bubbel kunt zitten, maar ik zie ook dat mijn beeld door een bepaalde invalshoek wordt gedomineerd en ik erken dat een groot deel van het Amerikaanse ‘heartland’ vanuit hun situatie anders naar de wereld kijkt. Nog steeds geen reden om maar íets normaal te vinden van wat die man allemaal uitkraamt, maar als je dat zicht op de ander helemaal kwijt bent en alleen maar met jouw wereld bezig bent, dan zie je wat ervan komt. Dan sta je met 5.000 man op de Dam en vind je dat helemaal oké.

Begrip voor de ander, het gesprek aangaan en het vertrouwen in de mensen houden (“De Meeste Mensen Deugen” is niet voor niks een bestseller en -ik ben er in bezig- best wel terecht), ergens daar ligt de sleutel. Maar die sleutel ligt wel in een heel diep laatje verborgen op dit moment. Of draag ik zelf met mijn razernij over deze demonstratie ook weer bij aan de vredeloosheid? Verwarrende, bijkans gekmakende tijden. 

Minneapolis en Amsterdam tonen in ieder geval wel aan: we zijn nog ver van huis. 

Landschapsconcentratie

Bijna 1,5 (een populair getal) jaar ben ik afwezig geweest uit het bloglandschap, maar het is er weer tijd voor. Er is inmiddels een dikke vette crisis aan de gang (en wat verandert dat allemaal of niet), zelf heb ik een paar plannetjes lopen voor de toekomst en het is best oké om van tijd tot tijd weer eens wat zinnen aan de wereld toe te vertrouwen: redenen genoeg om de digitale pen van stal te halen. Nou, waar zullen we het eens over hebben? Misschien over ons landschap. En het bouwen daarin. 

Mooie plekken

Ik ben een wandelaar. En een fotograaf. Die twee dingen komen nogal eens samen op mijn persoonlijke Facebook- en Instagrampagina. Een willekeurige wandeling, rundum hause of in een natuurgebied op enige afstand, wordt tenminste eens per kilometer onderbroken omdat het lijnenspel, de ton-sur-ton van de groenigheid of de door bomengroepen en wilgenrijen gevormde coulissen erom schreeuwen om voor de eeuwigheid vastgelegd te worden (en dat deel ik dan op de meest vluchtige platforms van deze tijd, maar laten we ons over die paradox maar niet verbazen). Er zijn gewoon op heel veel verschillende momenten van de dag en het jaar heel veel mooie plekken in Nederland, Brabant, De Mortel. 

Mooie plekken om te wonen zijn het ook vaak. Dat vinden meer mensen. Er is een niet te stillen honger (of lichte trek, in economisch mindere tijden) naar deze locaties; ik vul er mijn tijd ook professioneel aardig mee. De bordjes ‘te koop: perceel grond met bouwmogelijkheid’ intrigeren mij altijd enorm. Niet zelden is er een schromelijk optimisme over het nog te doorlopen planologisch pad. Maar niet zelden weet ik ook: het zou wel kansrijk kúnnen zijn, want dit -beste mensen- is een bebouwingsconcentratie!

Bebouwingsconcentratie

Een woning bouwen in het buitengebied mag niet van de provincie, behálve in de vorm van Ruimte-voor-Ruimte en als een gebied is aangewezen als bebouwingsconcentratie. Een gehucht, een buurtschap, dat zijn voorbeelden. En dus gaan we aan de slag met onze onderbouwing voor het bouwen van een riante woning met dito tuin. En in deze alinea alleen al is nu al vijf keer de term ‘bouw’ gebezigd. Dat zegt eigenlijk genoeg. De concentratie gáát ook naar het bouwen. Het landschap waar het in gebeurt, wordt zo goed en zo kwaad als het kan bewaakt door de landschappers van de gemeente, maar hun lot is dat van afremmer van ontwikkeling en hinderlijke sta-in-de-weg. Omdat er ook nog een inpassingsplan moet komen. Ook dat nog ja, en het kost allemaal al zoveel. 

Inpassen is eigenlijk ook ‘inpakken’ in veel gevallen en dat maakt de architectuur van de nieuwe woning soms niet erg landschapsgevoelig vind ik. Er wordt nog best vaak traditioneel gebouwd, en dan bedoel ik niet in historiserende zin. De mens blijkt behoudend, bouwt meestentijds na wat hij ziet, wat hij kent, praktisch lijkt. Zet een groen hekwerk van unne meter tachtig om de grote tuin en (vaak met tegenzin) een houtsingel eromheen. Want dat moet van de gemeente, dat heet ‘investeren in kwaliteitsverbetering’. 

Landschapsconcentratie

Behalve in het mij omringende landschap struin ik ook wel eens digitaal op Pinterest. En dat heet met recht struinen, want het is plaatjes kijken en op basis van die plaatjes krijg je nieuwe plaatjes voorgeschoteld en die zorgen weer voor nieuwe plaatjes en voor je het weet zit je in een soort architectonische trektocht door de werelddelen. Want mijn oog valt dus heel veel op architectuur-dingen. Fantastisch mooie eigentijdse woningen in eenvoudige vormen, ruim en met veel glas om het landschap in alle richtingen te kunnen voelen. En andersom ook, bezien vanuit de omgeving; als je zo’n woning ziet staan denk je: “wauw, dít is een mooie plek. Hier is het mooi gebleven!” Huis en landschap horen bij elkaar. Die plaatjes hebben de gemeentelijke opstellers van de beeldkwaliteitsplannen ook wel voor ogen en op basis van de regels kán het allemaal gemaakt worden. Maar het gebeurt nog niet op heel erg grote schaal.

“De gemeente wil een schuurwoning, maar ik ga toch niet in een schuur wonen?”

De wensen en de smaak van de mensen ontwikkelen zich niet zo snel in de door de beleidsmakers gewenste richting als dat de ontwikkelingen van het bouwen zelf gaan. Dat lijkt me best lastig voor die beleidsmakers, want de woningen van de mensen die nog niet zover zijn staan er wel tig jaar. Niet dat ze lelijk zijn (lelijk is sowieso een verboden woord in beeldkwaliteitsland, iets is ‘goed’ of ‘minder geslaagd’ en zelfs die kwalificaties wil ik niet hangen aan wat in veel gevallen een soort van levenswerk van de bouwer is), maar je zou met respect voor het landschap dat bezet wordt, of veranderd, iets meer landschapsconcentratie in de bebouwingsconcentratie wensen. In de vormgeving van het huis, in de wijze waarop de voeling met de omgeving en vice versa wordt benaderd. Júist ook voor de nieuwe bewoners (mijn klanten), want woon je niet veel fijner als licht, natuur en uitzicht onderdeel zijn van je nieuwe habitat? Is het daar eígenlijk ook niet gewoon om te doen?

Misschien kunnen de beleidsbepalers ook voor het totaalplaatje eens punten gaan geven, die de landschapsinvestering van de initiatiefnemer in positieve zin -ik bedoel hiermee dalende kosten- kunnen beïnvloeden. Dat versnelt misschien de zo vurig gewenste versmelting van landschap en architectuur. 

Landschap als stimulans in plaats van sluitpost: het wordt hoe dan ook nog een hele wandeling. 

Dataviz it izz!

Voor het eerst sinds weet ik hoe lang zette een docent weer eens een handtekening onder een diploma, of ja: certificaat, als blijvend bewijs dat ik weer een stukje slimmer ben geworden. Sinds begin oktober reisde ik elke dinsdagavond met de trein naar Utrecht, om aan de Hogeschool aldaar de cursus Datavisualisatie en Infographics te volgen. Lessen met medestudenten, huiswerk maken, een soort van stressen voor een eindopdracht, het kwam weer allemaal voorbij. En ik vond het leuk.

Het mag algemeen bekend zijn onder de mensen die mij kennen dat er voor mij meer interessante dingen in het leven zijn dan de ruimtelijke ordening of het spreekwoordelijk stoeien met ambtenaren. Eerder dit jaar heb ik me erop toegelegd om me te oriënteren op een vakgebied of onderwerp dat me breder laat kijken dan dat. Mijn zusje had deze cursus wel eens voorbij laten komen via de app (in de zin van ‘echt iets voor jou’) en na enig onderzoek naar het brede scala aan studiemogelijkheden heb ik besloten om hier maar eens mee te beginnen. En met succes dus.

Een nieuwe wereld

Infographics en datavisualisatie zien we in toenemende mate om ons heen, zeker met de onnoemelijke hoeveelheden data die worden verzameld en beschikbaar worden gesteld. De cursus richtte zich op de vraag welke methoden en technieken er zijn om dat allemaal visueel te communiceren, op een zodanige wijze dat wat je verbeeldt ook aanslaat bij je doelgroep. De cursus valt niet voor niets onder het Centrum voor Communicatie en Journalistiek van de Hogeschool.

Met voorbeelden en bespreking daarvan (wat is er goed aan, wat werkt en wat niet, hoe kijken mensen, welke manieren zijn er om je verhaal te vertellen) kreeg ik gaandeweg een beeld van een voor mij redelijk nieuwe wereld. Ook wel overdonderend, omdat die wereld al zo wijd vertakt is en heeft geleid tot duizenden goede, mooie en ook grappige voorbeelden; er zijn congressen en awards en talloze professionals die zich met ‘dataviz’ en infographics bezighouden. Ik ben er een paar gaan volgen op Twitter en er komt werkelijk van alles prachtigs voorbij. Vind daar maar eens een plekje tussen, vooropgesteld dat dat is wat ik zou willen.

Voorbeeld van een vrij kunstige datavisualisatie over het weer in Eindhoven (studio TERP)

Ik kan het

Inspiratie genoeg, zoveel is duidelijk. En de beoordeling van mijn eindopdracht (een infographic die verband houdt met mijn projectaandrijving) werd zodanig goed ontvangen, dat ik wel móet concluderen dat het me ligt en dat ik het kan. Het gaat dan vooral niet alleen over ontwerpen (want er zijn magistralere ontwerpers dan ik ben), maar om het samenvatten en verpakken van het verhaal in een overzichtelijk geheel. Het schema erachter, wat wil je vertellen, wat kun je weglaten, enzovoort enzovoort. Er zijn ook echt behoorlijk wat minder geslaagde voorbeelden te vinden, waaruit blijkt dat dát aspect van datavisualisatie heel belangrijk is en niet bij iedereen kan worden neergelegd.

Vooralsnog zie ik de mogelijkheid om infographics, schema’s, grafieken en datavisualisatie op een goede en mooie manier ook in mijn projecten en andere hobby’s te verwerken. Kijk bijvoorbeeld hier voor een simpel verschuifbaar voor-naplaatje van het project van Goed Wonen aan de Prinses Irenestraat in Gemert, ook een visualisatie.

Ik zal dan ook dankbaar gebruik maken van de technieken, apps en sites die me zijn aangereikt en verdere kennis op gaan snuiven. Of dat leidt tot een meer uitgebreide neventak of wie weet een complete switch, dat zal de toekomst uitwijzen. Daarvoor zal ik nog iets meer vlieguren moeten maken. Maar het begin is er en ik stap dat vliegtuig nog niet uit.

Een mooi doel voor 2019. Tijdens de feestdagen maar eens visualiseren hoe dat eruit kan gaan zien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mijn eindopdracht: een poster om mijn klanten te informeren over het r.o.-traject (lage resolutie)

Omgevingswet: het moet nog groeien zeg maar

Laat ik ook eens iets zeggen over de Omgevingswet, zoals het een professional in het werkveld van de ruimtelijke ordening betaamt. Voor wie dat niet is: deze nieuwe wet verandert het hele stelsel van bestemmingsplannen en vergunningen voor iedereen over alles. Pretty ingrijpend dus. Daar moet je wel iets van vinden, daar moet je iets van weten. Nu ben ik wel van de school ‘ik heur het wel‘: voordat die wet daadwerkelijk in werking treedt (2021 denken ze nu) wordt ie nog wel een paar keer aangepast, dus ik ga me er écht in verdiepen als het plaatje bijna compleet is. Maar ik wil er al wel vast dit over zeggen: het lijkt mij verschrikkelijk.

Seminars en instapsessies

Zoals het gaat met dergelijke substantiële wetswijzigingen krijgen gemeente-ambtenaren, adviseurs, bestuurders volop de kans om zich te laten informeren en zich mee te laten slepen in dit avontuur. Dat gebeurt dan tegenwoordig niet alleen met rechttoe-rechtaan seminars (waarvan ik er gister in Arnhem een bijwoonde), maar ook met inspiratiesessies in een escaperoom-achtige setting, slagsessies, ateliersessies, regio-experiences en dat gaat nog wel even zo door tot (na) 2021. En dat is ook goed en nodig, want er komt zogezegd nogal wat op ons af. ‘Ons’ als in: Nederland.

Vooral juristen raken erg geïnspireerd door de nieuwe Omgevingswet en dat stralen ze (zoals gisteren) ook echt uit. Ze kunnen tijdens zo’n seminar ook echt laten zien dat ze de wetten en besluiten tot nu toe helemaal hebben doorgeakkerd (‘En waar staat dat dan? Artikel 2.345 lid a natuurlijk!’) én vinden het heerlijk om hiaten en onvermoede consequenties van de nieuwe wetgeving te duiden (“…dus: de wetgever wíl deregulering; dat gaat dus zo niet lukken als je artikel 4.56 goed uitvoert!”) . Sowieso, als je passie voor je vak uit kunt stralen heb je bij mij een streepje voor. Dus daarover niets dan goeds.

Eenvoudig beter?

Nu dan over de wet zelf, ondanks dat ik het hele ding nog niet eens 1 keer gelezen heb, laat staan alle invoeringsbesluiten en andere dingen die eraan hangen. Uit wat ik er nu van weet komt bij mij één conclusie bovendrijven: waarom? Ja, om het ‘eenvoudig beter’ te maken, zo stelt het ministerie. Minder regels, meer ruimte. Maar wat ze nu in elkaar geknutseld hebben, daar wordt echt niemand blij van hoor, dat bestaat niet. Ja, eerdergenoemde juristen en adviesbureaus, die wel. Dat zou ik dan misschien ook wel moeten zijn (‘jeuj, meer werk’). Maar ik zie vooral onduidelijkheden die alleen door jurisprudentie (rechtszaken) weggewerkt kunnen worden, verschillen tussen gemeenten in plaats van algemene normen, een hoge mate van vertrouwen in ICT-projecten bij de overheid en heel veel regels op heel veel pagina’s. Een oud-collega printte een half jaar geleden de regels uit zo’n (proef-)omgevingsplan voor één agrarisch perceel eens uit: haar hele bureau lag vol met papier!

En dat komt, ik heb het al eens eerder geduid, omdat we alles zodanig dichtgeregeld hebben, dat voor elke regel die we weg willen halen we weer twee nieuwe regels nodig hebben om de ongewenste effecten teniet te doen. Zoals een van de sprekers gisteren beeldend aanhaalde: je hebt een grote zak, strak gevuld met water, en houdt een gaatje dicht met je duim, maar dan ontstaan elders weer nieuwe gaatjes waar het water uitstroomt. Die moet je dan weer dichten (met nieuwe regels).

Golfbeweging

Als objectief niet is vast te stellen dat het een verbetering wordt, dan is de enige verklaring voor het feit dat het toch allemaal op de schop moet, dat dingen nu eenmaal van tijd tot tijd op de schop moeten. Dat zit intrinsiek in ons. Dat zorgt voor de golfbeweging die we op zoveel vlakken zien. En dus gaan we weer voor een complete reset, een herziening van het gehele stelsel. Dat kán goed aflopen en dat zal misschien ook wel (ruimtelijkeplannen is ook een verademing ten opzichte van de oude papieren lappendeken), maar ik moet het nog zien. Volgens mij hebben we niet te maken met een golfbeweging die steeds op het nulpunt terugkomt, maar met een die zichzelf steeds verder in de nesten werkt. De grafiek hieronder verbeeldt wat ik voel.

 

 

De liefde moet nog groeien, zeg maar. Maar lees je het bovenstaande, dan kun je je afvragen of ik nog wel binnen dat stelsel thuishoor. Of dat ik misschien eerder toe ben aan een herziening van mezelf. Ik heb nog tot 2021 (op zijn minst).

De overeenkomt tussen contracten

Wat zijn contracten toch geniepige dingen. Helaas zijn er steeds meer van nodig en lijken ze alleen maar langer en moeilijker te worden. Een uitvloeisel van deze tijd, waarin alles steeds sneller steeds juridischer wordt aangevlogen. Ik heb een haat-liefdeverhouding met die dingen. Enerzijds verfoei ik ze: waarom is dat nou allemaal nodig, why can’t we all just ‘get along’ (vrij naar Jack Nicholson in Mars Attacks)? Anderzijds is het ook vaak prettig om een achtervang te hebben, zekerheden waar je op terug kunt vallen als het er nauwt. Maar geniepig worden contracten pas écht als er foutjes worden gemaakt.

Fouten

En fouten, die tref je nogal eens aan. Gemaakt door de beste notarissen en de duurste advocaten. Het zijn die foutjes waar je overheen leest, maar die als het erop aan komt een groot verschil maken. En het zijn gek genoeg ook altijd de fóutjes die aan de oppervlakte komen. Net op dát punt ontstaat er een dispuut. Laat ik het dicht bij mijn vakgebied houden. Hoe vaak heb ik nu al niet gelezen: “Dit en dat is van toepassing op het moment dat het onherroepelijk bestemmingsplan is vastgesteld.” Dat klopt dus niet, dat moment bestaat niet. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast, het moment dat het onherroepelijk wordt is een heel ander moment.  Je kunt natuurlijk wel vaststellen dat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, maar dat staat er niet. Of er wordt mee bedoeld het moment dat het bestemmingsplan, dat op enig moment onherroepelijk is geworden, is vastgesteld door de gemeenteraad. Maar dat is wel erg omslachtig omschreven.

Wanneer treedt die regel in het contract nou in werking? Stel dat het gaat om ontbinding van een overeenkomst, of de levering en betaling van grond. Het maakt dan nogal wat uit. En meestal kom je er wel uit omdat beide contractpartijen de bedoeling wel kennen, maar het vergt toch weer de nodige discussie (“Ja, maar zo is het niet bedoeld!”. “Nee, maar zo staat het er wel.”), het vergt heel wat zinsontleding en kennis van de ruimtelijke ordeningswetgeving.

Lezen

Dat kun je van tevoren voorkomen door een contract goed te laten lezen en te analyseren. Door mij bijvoorbeeld. Eerlijk gezegd vind ik het heerlijk om me in zo’n contract taalkundig te verdiepen, zinnen te ontleden, verbanden te zien tussen het ene artikel en het andere artikel. Fouten eruit halen. Ook voor contracten die niets met de r.o. te maken hebben. Natuurlijk ben ik niet van alle onderwerpen inhoudelijk goed op de hoogte, maar lézen kan ik wel. Ook dat is nog geen garantie op een discussieloos traject of een geheel foutloze overeenkomst, maar het scheelt allicht een hortje.

En als je dan een overduidelijk verkeerd verband of foutieve terminologie blootlegt, geeft dat ook wel een behoorlijke voldoening. Alsof Het Contract een onverslaanbaar monster is dat jij hebt verslagen, die onoverzichtelijke aaneenschakeling van moeilijke woorden. Zonder mij was alles in het honderd gelopen! Hoezee!

Nu moet gezegd dat ik zelf ook wel eens tegen de lamp ben gelopen, hoor. Dan moest ik toch ook wel erkennen dat het er op zijn minst niet duidelijk in stond, voor meerdere uitleg vatbaar was, of gewoon fout. Al doende leert men. Dan baal je even als een stekker. Het ging bij die momenten gelukkig niet om een koe (zoals ze bij ons zeggen als iets heel erg waardevols wordt verhandeld), maar het doet je beseffen dat waakzaamheid immer geboden is. Vóórdat de handtekening eronder staat.

Laten we dat afspreken. Oh ja, het foutje in de titel is expres, maar dat had je inmiddels al wel geraden. Je kent me toch?

Dansen op de vulkaan

Emoties borrelen. Emoties tieren. Emoties vertroebelen. Ook in mijn geval. Het komt allemaal niet zo goed van pas als je een project tot een goed einde wilt brengen, maar dat is het met emoties: ik kan het niet helpen. Vooral als ik ten diepste word aangesproken op eerlijkheid, dan gaan er dingen aan het schuiven in mijn lichaam die in veel gevallen mijn vingers aanzetten tot het typen van ellenlange mails. Of die ervoor zorgen dat mijn verbale kwaliteiten ineens gehalveerd lijken te zijn, getuige de halve zinnen die ik dan uitspreek.

Afgelopen week ben ik, in het openbaar nog wel, voor leugenaar uitgemaakt. Niet in het openbaar ben ik (blijkbaar, ik was er zelf niet bij) ‘de grootste misdadiger van allemaal’ genoemd. Nou kan ik daar ook wel weer best goed tegen, want mensen vergeten dat ik opgeleid ben als gemeente-ambtenaar. Dan maak je wel wat mee hoor. En ook toen al wist ik dat ik altijd naar eer en geweten handelde. En dat is het belangrijkste.

Het kasteel maar weer een keer

Maar ook oneerlijkheid op de inhoud doet mij wat. Berichtgeving over Kasteel Gemert triggert van alles in mijn lijf en leden. Waarom?

De gemeente in 2014: “Bouwen in de ommuurde tuin is bespreekbaar, maar alleen als het functioneel nodig is voor de herontwikkeling, niet om extra opbrengst te genereren.” De gemeente in 2018: “Ook woningbouw, al dan niet gecombineerd met (ondergronds) parkeren is in de ommuurde tuin ruimtelijk voorstelbaar”. Foetsie is de functionele relatie. Dat had wat gescheeld hoor, als dit in 2014 al het standpunt zou zijn geweest.

De gemeente in 2014: “We beoordelen alleen een totaalplan, inclusief het parkeren en de verkeerskundige structuur.” De gemeente in 2018: “Het is nu nog te vroeg om te zeggen waar er straks wel en niet geparkeerd kan worden. Het is nog een vlekkenplan, de onderdelen moeten eerst nader worden uitgewerkt.”

De gemeente, tussen 2012 en 2016 herhaaldelijk: “Nee, wij toetsen alleen het plan, wij participeren niet en hebben geen functies die in het Kasteel zouden kunnen”. De gemeente in 2018: “De Eendracht verplaatsen naar het Kasteel? Kunnen we over in gesprek.”

Ik wéét hoe het werkt, ik weet dat vertrouwen hier het sleutelwoord is, ik weet dat ons traject niet altijd volgens conventionele paden verliep, ik weet het allemaal. Maar het voelt zó oneerlijk. Ik kan dat niet goed uitleggen in een paar zinnen. Ik kan er verder ook niks aan doen en er verandert niets. Ik kan het alleen maar laten borrelen.

Geniet dus nog maar even van dit blogje, waarschijnlijk verwijder ik het straks weer. Had ik dat maar met al die te snel verstuurde ellenlange emails kunnen doen….

Howick en Lili en de ruimtelijke ordening

Het klinkt als een slechte parodie op een Suske en Wiske-titel, wat door het gebrek aan alliteratie natuurlijk alleen maar erger wordt. Het is ook nogal wat om de twee Armeense kinderen te gebruiken voor een blog; het is dat het onderwerp waar ze aan gelinkt worden (ruimtelijke ordening) allerminst sexy of commercieel is, anders had ik nu de poppen aan het dansen. Maar het komt erop neer dat de discussie die twee weken geleden zo hoog opspeelde mij ook aan een inzicht hielp als het gaat om ruimtelijke ordening en handhaving.

Tijd

Tijd is het sleutelwoord. Vriend en vijand is het er volgens mij over eens dat de kwestie van Howick en Lili niet zulke groots uitgemeten vormen aan zou hebben genomen als de asielprocedure die zij volgden een stuk sneller was verlopen. Als zij binnen enkele maanden definitief uitsluitsel hadden gekregen dat ze niet in ons land mochten blijven, hadden zij de taal nooit geleerd en nooit die vriendschappen opgebouwd die hen nu tot steun waren. Het is ook wel zo, zo begreep ik uit de analyses, dat de asielprocedure op zichzelf niet heel lang hoeft te duren, maar dat de beroepsmogelijkheden die daarop volgen (en aangespannen worden door de betrokken mensen zelf) de boel aardig lang op kunnen rekken. Tot een soort van point of no return -in de beeldvorming althans- bereikt is. Dat bleek dus ook, met alle politieke (imago)schade van dien.

Tijd is een belangrijke factor in handhavingszaken binnen de ruimtelijke ordening. Als de gemeente strijdigheden niet meteen constateert en aanpakt, wordt het moeilijker en moeilijker om later nog geloofwaardig te strijden tegen de ruimtelijke misstand. En terecht: hoe kun je ineens na 30 jaar een brief schrijven dat de vergunningsloos geplaatste bouwwerken toch echt niet kunnen? Dan sta je na veel vijven en zessen misschien wel in je recht als bevoegd gezag, maar je ontmoet zóveel weerstand dat er alleen maar chagrijn van komt. De boosdoener wijst ondertussen ook nog eens driftig met de wijsvinger over de kaart: en daar dan? En daar dan? En daar dan?

Hetzelfde geldt eigenlijk voor procedures aan de voorkant. “Waarom moet het toch allemaal zo lang duren?” is een van de meest uitgestorte hartekreten die ik aan de keukentafels tegenkom. En dan betreft het nog niet eens de meer ingewikkelde bouwplannen. Veranderingen die voor de mensen zelf volstrekt logisch aanvoelen en in hun ogen absoluut geen kwaad kunnen (en waar ook uiteindelijk meteen toestemming voor wordt gegeven), worden in een bestek van maanden door de molens gesleept. Voor het gevoel moet dat ook in weken kunnen. Hoe vaak begint men dan niet alvast, of gewoon zonder procedure? En dan loopt iedereen weer achter de feiten aan (begin nu weer te lezen bij de vorige alinea).

Kikkers

Het is inherent aan ons systeem dat de processen zo traag gaan. De stukken moeten nu eenmaal beoordeeld worden, er moet een magistraal aantal vinkjes aan worden gekruist, je moet nu eenmaal iedereen gelegenheid geven om zijn zegje erover te doen (en nog een keer en nog een keer als het antwoord ze niet bevalt) en er moeten voldoende mensen zijn die de strijdigheden buiten in het veld signaleren en opvolgen. Een kink in die kabel leidt dan al snel tot oponthoud. Het is wel logisch, maar het is zo moeilijk uit te leggen. Mijn stelling is dat door versnelling de kikkers langer in de kruiwagen blijven en daar heeft iedereen profijt van. Het is overigens niet zo’n prikkelende of revolutionaire stelling, dat besef ik maar al te goed.

Dan nóg spelen in de opstandigheid richting het bevoegd gezag meer factoren een rol. Zeg maar: het karakter van de kikkers. De opstandigheid zelf bijvoorbeeld: dat kan de gemeente nu wel willen, maar ik doe het gewoon toch anders. Of het loopt langs de lijn van het zelfbeschikkingsrecht: ik maak zelf wel uit wat ik op mijn eigen grond doe. Of zuinigheid speelt een rol, want het wordt toch allemaal als zonde-geld gezien, die leges en advieskosten. Als je dat in de zak kunt houden is het mooi meegenomen. Ik vrees dat deze menselijke eigenschappen, die ik in meer of mindere mate in diverse vormen al ben tegengekomen de afgelopen jaren, hardnekkig zijn en niet het moment dichterbij brengen dat er helemaal geen spanningen meer zijn tussen ‘de gemeente’ en de burgers die de ruimte om zich heen willen veranderen.

Maar dat het sneller kan lopen, dát moet toch wel een keer gaan lukken? Omgevingswet-adepten roepen dan meteen ‘vanaf 2021!’, maar ik moet het nog zien. Ik weet het eigenlijk al wel.

Bemoedigend: bij het zoeken naar een grafiek ter opleuking van deze tekst blijkt dat de afhandeling van asielaanvragen de laatste jaren al een stuk sneller gaat.