Dansen op de vulkaan

Net als iedere andere adviseur in het ruimtelijk speelveld ben ik de afgelopen maanden in volle vaart richting 1 januari gedenderd, dé datum waarop plannen gepubliceerd moesten zijn omdat ze anders ressorteren onder de nieuwe Omgevingswet. Dat hebben de gemeenten ook geweten. Daarvoor hoef je alleen maar de gemeentepagina’s van de afgelopen weken open te slaan: een hausse aan gepubliceerde ontwerp-bestemmingsplannen (heerlijk woord, ik ga het missen) en vergunningsaanvragen. Laat ik me op mijn eigen woon- en werkgemeente richten: ik mocht een plan of elf aanleveren en dat is mooi voor de betrokken opdrachtgevers. Hun droom of om een andere reden essentiële wijziging van hun omgeving is een stap dichterbij. Ik heb de ambtenaren ook oprecht de waardering overgebracht dat het allemaal gelukt is om het tijdig ter inzage te leggen. 

Strak beleid

Tot zover de positieve insteek. Nu de borrelende magma. Ik krijg nu ook andere plannen onder ogen die ter inzage zijn gelegd en dan vallen de schellen me soms van diezelfde ogen. Je moet weten dat het een hele tour de force is om aan alle vereisten van de overheid te voldoen, vooral als het gaat om de provinciale regelgeving, het groen, het water en het parkeren. De gemeente stuurt op de laatste drie thema’s ook strak, op detailniveau, en heeft ook beleidsnota’s vastgesteld om transparantie te kunnen bieden: iedereen weet waar hij aan toe is en wordt getoetst aan hetzelfde beleidskader. Een goede zaak, op zichzelf. 

Inmiddels borrelt het in mijn hoofd van vragen over deze ‘toets aan hetzelfde’. Hoe kan het namelijk dat op uiteenlopende punten in verschillende plannen de voor iedereen geldende uitgangspunten aan de kant zijn geschoven? Vaag? Ik zal het illustreren. 

  • Voor een splitsing van een cultuurhistorisch waardevolle boerderij worden we (de opdrachtgevers en ik) geacht in het bestemmingsplan te borgen dát én welke investering in het herstel van cultuurhistorische waarden gedaan wordt. Want dat is de verplichting die aan die splitsing vast hangt. De toetsing gaat best ver, met provinciale bemoeienis op detailniveau. Tegelijkertijd gaat de gemeenteraad eind deze maand een bestemmingsplan vaststellen waarin van borging op grond van precies dezelfde regelgeving geen enkele sprake is. Is het vertrouwen in de initiatiefnemer daar zoveel groter dat borging niet nodig wordt geacht?
  • Voor een van ‘mijn’ planlocaties kreeg ik eerder de gemeentelijke boodschap dat ik inzichtelijk moest maken: “het functioneren, de gebruiksvriendelijkheid en de ruimtelijke kwaliteit van de erfinrichting middels een gedetailleerd inrichtingsplan (met maatvoering). Dit is in eerste instantie noodzakelijk als het gaat om het gebruik van de parkeerplaatsen.” Dit inrichtingsplan moest vervolgens aan het bestemmingsplan worden gekoppeld, zodat geborgd is dat het ook zo wordt uitgevoerd. Zo gezegd, zo gedaan. Maar dat is toch echt wat anders dan een pijltje naar een luchtfoto met een tekst “hier komen de 14 parkeerplaatsen”, wat ik nu ergens voorbij heb zien komen. Waarom hoeft zo’n gedetailleerd inrichtingsplan in dat geval niet gemaakt te worden?
  • Over de maatvoering kan de gemeente ook van tijd tot tijd de bril der details opzetten. Maar niet onterecht hoor: parkeerplaatsen die je niet kunt gebruiken, zijn niets waard. Dus wordt er bij onze plannen steevast op gehamerd: 5 meter parkeerplaats en 6 meter rijbaan daarachter. Staat overigens ook in de Nota parkeernormen, het vastgestelde beleid dus. Hoe kan ik dan nu een inrichtingsplan tegenkomen waar je niet in of uit de geprojecteerde parkeerplaatsen kunt rijden? 
  • De Nota parkeernormen is genoemd. Toch al in best wat gevallen is het mij duidelijk gemaakt dat salderen op grond van de parkeernota niet mogelijk is: als de oude gebouwen (met een vervallen functie) verdwijnen en er wordt nieuw gebouwd, dan mag je niet de oude parkeernorm verrekenen. Dat staat zwart op wit in voornoemde nota. Waarom kom ik dan een plan tegen waarin dit ondubbelzinnig toch wordt gedaan om het rond te rekenen? Heb ik de memo waarin een beleidsaanpassing wordt aangekondigd misschien gemist?

Nadelen en problemen

Het borrelt en het borrelt en dan heb ik het niet over de Jägermeister. Je kunt zeggen: waar maak je je druk om? Als jouw plannen maar doorgaan. Dat is ook zo, maar ik vind het ronduit oneerlijk als mijn opdrachtgevers worden gedwongen zich aan vereisten te houden die voor anderen blijkbaar niet gelden. De beginselen van behoorlijk bestuur draaien zich om in hun graf. En daar kan ik gewoonweg niet tegen. Het valt niet alleen mij op; opdrachtgevers spreken me met enige regelmaat aan: ‘waarom mogen hun (ja het is ‘zij’, ik weet het) daar wel wat wij niet mochten?’ 

Maar het kan hen ook direct benadelen. Veel van mijn plannen zijn onderdeel van een veegplan met andere planlocaties. En een beroepschrift op één van die locaties bij de Raad van State zorgt ervoor dat alle andere plannen mogelijk nog niet kunnen worden uitgevoerd. En op de manier zoals het nu gaat bevatten diverse plannen toch wel onderdelen die een zienswijze of beroepschrift kunnen voeden als je het met het plan niet eens bent. Ik zal hier scherp op gaan letten in de beantwoording van de zienswijzen op het veegplan door het college.

We moeten ook niet vergeten dat die normen ook wel ergens voor bedoeld zijn. Ze moeten wateroverlast voorkomen, een groene(re) omgeving waarborgen en parkeeroverlast tegengaan. We mogen aannemen dat aan de normen reële uitgangspunten ten grondslag liggen. En dat betekent dat als de normen in de wind worden geslagen, in principe érgens een probleem ontstaat. En wie mag dat oplossen als de huizen er al staan en lang en breed verkocht zijn? Juist, de gemeente. 

Adviseren en afwijken

Maar het ondermijnt ook mijn eigen positie als adviseur. Als ik mijn opdrachtgevers adviseer naar aanleiding van hun ideeën, leg ik ze uit wat de parkeernorm is, wat de groennorm is, de normen voor waterberging enzovoort. Dat probeer ik zo goed mogelijk in de plannen te verwerken. Soms (vaak eigenlijk) leidt dat tot opgetrokken wenkbrauwen, maar tenslotte ook wel een zuchtend ‘wat moet dat moet’. Hoe moet ik voortaan die mensen onder ogen komen, als nu blijkt dat er links en rechts best wel wat te marchanderen valt met de gemeente? Dan kun je dus nergens van op aan en loont het altijd om te gaan onderhandelen met de gemeente of om een plan in te dienen wat in de verste verte niet aan de algemene normen maar wel aan je eigen verdienmodel voldoet. Het is in ieder geval niet voldoende om de woorden van Casper Kalb serieus te nemen. Het leidt ook onherroepelijk tot vele extra gesprekken op het gemeentehuis, en ze hebben het al zo druk met zo weinig mensen. Je graaft je eigen graf, zou ik zeggen. 

Laat ik wel wezen, want sommige ambtenaren vallen nu waarschijnlijk van hun stoel: ik ben de eerste die het nuttig vindt om te praten over afwijking van strakke normen, uitzonderingen op de regel. Want het schuurt soms echt behoorlijk en bemoeilijkt plannen eerder dan dat ze ze mogelijk maken. Maar de grap is dat in al die beleidsstukken die zijn vastgesteld óók afwijkingsmogelijkheden zijn verwerkt, mogelijkheden voor het college en de raad om ontheffingen te verlenen. De voorwaarden daarvoor zijn ook omschreven, zodat je bij de Raad van State altijd kunt onderbouwen als gemeentebestuur dat je ‘in redelijkheid tot het besluit hebt kunnen komen’. Maar dan moet je dat wél expliciet omschrijven in het bestemmingsplan en op een juiste manier borgen in de planregels. En dat gebeurt dus lang niet altijd (vaak ook wel, er zijn zeker ook goede voorbeelden). 

Wie kun je dat nu verwijten? Niet de ontwikkelende partijen, zij grijpen hun kans om zo min mogelijk met overheidsbeperkingen of extra kosten geconfronteerd te worden. De rol van de plannenmakers is al wat meer discutabel: zij worden toch geacht om juridisch haalbare plannen bij de gemeente te droppen. Maar misschien zijn zij ook wel ‘gedwongen’ om dingen op te schrijven die eigenlijk niet kloppen. Maar de gemeente valt natuurlijk het meeste te verwijten, en dan niet zozeer de individuele toetsers maar het samenspel van toetsing en besluitvorming door bestuurders, managers en ambtenaren. Als ík het al zie, hoe kan het dan door tientallen andere ogen niet gezien worden in die hele rits van toets- en beslismomenten? 

Vervolg

En nu? Hoe kijk ik nu naar al die gepubliceerde plannen, wat doe ik met mijn bevindingen? Ik heb er geen belang bij om iets tegen die plannen te hebben (al rechtvaardigen de fouten in het veegplan wel een zienswijze in het belang van mijn opdrachtgevers). Maar ik gun iedereen zijn of haar voortgang en zakelijk succes. Van de politiek verwacht ik eerlijk gezegd ook vrij weinig, zeg maar helemaal niks. De coalitiemantra ‘Woningbouw is belangrijk en het is getoetst dus het zal wel goed zijn en laat ons toch vertrouwen hebben’ heb ik nu iets te vaak gehoord om te geloven dat dit transformeert in een oprecht inhoudelijk-kritisch (juridisch!) geluid.

Dus ik laat het allemaal maar gebeuren. De plannen voor mijn opdrachtgevers zitten volgens mij goed in elkaar en zo niet (ik wil me hier zeker niet voordoen als onfeilbaar), dan worden we daar door een zienswijze wel op gewezen. Er is nog tijd voor reparatie om een gang naar Den Haag te voorkomen. Maar ik ben wel voornemens om eens een gesprek met de wethouder aan te vragen, als alles een keer door de molen is. Om het bovenstaande eens met haar te bespreken. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat ik zo’n blog niet meer hoef te schrijven, omdat je gewoon in de stukken de toets aan het beleid, inclusief de afwijkingsopties, helder kunt aflezen en kunt concluderen: het klopt? 

Lavastromen vernietigen zo’n beetje alles wat op hun weg komt. Daar ben ik helemaal niet op uit, natuurlijk. Deze vulkaan moet weer slapend gaan worden en dat zal ook wel gebeuren. We kunnen beter gaan dansen. En zingen. Dat mag over een week of twee-drie gelukkig weer. Carnaval komt als geroepen. Over borrelen gesproken….

Houtje-touwtje-samenleving

Laat ik het om te beginnen dicht bij mijn dagelijkse praktijk houden. Je voelt aan álles dat het systeem van ruimtelijke ordening en het systeem van de overheid onder druk staan. Het begint al bij de mensen. Schreeuwende personeelstekorten bij gemeenten, maar ook aan het andere eind van het spectrum: in de bouw en de techniek, daar waar de realisatie vandaan moet komen. Houtje-touwtje doet iedereen zijn best, improviserend probeert iedereen zich onder de druk uit te werken, zich aan afspraken te houden, de moed erin te houden, maar wel met 0 toekomstperspectief dat het als een soort van vanzelf beter wordt.

Stikstofspook

Ondertussen vindt iedereen nog wel steeds dat we in een tijd leven dat alles kan en alles moet. Gewoon doorgaan, want dat is belangrijk voor het kleine of grote geld en dito geluk. We zijn gewend aan verdienen (een klein, maar belangrijk clubje althans) en gewend aan ontwikkeling. Maar (onder andere) het stikstofspook waart door de polder; houtje-touwtje-oplossingen worden hiervoor bedacht door paniekerige bestuurders die zichzelf jaren geleden al in de vingers hebben gesneden. Die oplossingen blijken niet houdbaar, de natuurbeschermers hebben beet en laten niet meer los. Waarom zouden ze ook? Ze worden keer op keer in het gelijk gesteld door de rechters. Dus wat komt er nu terecht van die mooie, dringende plannen?

Niet dat het zonder stikstofprobleem allemaal wel goed gaat met het bouwen hoor. Wolkenkrabbende bouwprijzen verhinderen betaalbare woningen, want daar hebben we toevallig ook nog eens een afgrijselijk groot tekort aan. Bestuurders hebben de woningbouw mondeling al een tijdje in de versnelling staan, maar de praktijk is weerbarstiger dan ooit. Want diezelfde bestuurders hebben ondertussen ook ooit vastgelegd dat groen belangrijk is en water belangrijk is en luisteren naar de buren belangrijk is en parkeren belangrijk is en weet je wat? Dat is het allemaal ook. En het personeel dat er dus niet is mag hier allemaal chocola van maken. 

Klimaatactie

En dit alles tegen een achtergrond van de 1,5 graad of welke koers we momenteel dan ook varen. Initiatiefrijk landje zijn we wel hoor, daar ligt het niet aan. De zonnepanelen vliegen het dak op, maar de grote draai maken we nog niet echt met zijn allen als het gaat om klimaat. Het is op wereldschaal toch allemaal maar houtje-touwtje. En dat is geen verwijt aan anderen, want ikzelf heb ook nog flinke stappen daarin te zetten (en meer ook dan alle mensen die nu wél die zwarte platen op het dak hebben liggen). Maar de cijfers zijn nou niet echt superbemoedigend dat het de goede kant op gaat. En zelfs áls je gelooft c.q. ervan overtuigd bent dat klimaatverandering van alle tijden is moet iets in jou toch zeggen dat er best wel één groot verschil is met tienduizend jaar geleden en dat verschil loopt met miljarden op twee benen over deze aarde heen. Op weg naar iets heel vervelends, ben ik bang. Daar moet je wél iets mee.

Een veel gedeelde cartoon van MacKay’s cartoons

Something’s gotta give. En ik vrees (je zou het inmiddels bijna zelfs hopen kunnen noemen) dat dit alleen kan gaan gebeuren met een flinke systeemdisruptie. Het neoliberalisme is hardnekkig maar lijkt rijp voor de sloop. Duidelijk is wel: corona kreeg het niet voor elkaar. Welke crisis mag het nu gaan proberen? Die van het klimaat is dus hard op weg om ons bij de lurven en de kladden te grijpen. Of is het toch zoiets banaals als een (derde wereld)oorlog? Juist op deze dagen eigenlijk onvoorstelbaar dat ik het als voorstelbaar neerpen.

Je zou om te beginnen eens hopen dat iemand (of meerdere iemanden) de handschoen nu eens echt oppakt en een goed verhaal neerlegt om de krakende wagens in ieder geval de goede richting in te leiden. Inspiratie, leiderschap, een goed verhaal. Helaas: het is wel kraak, maar geen smaak wat de klok slaat. Goed beschouwd (en dat doe ik) is het armoe troef. En ik weet het zelf ook allemaal niet hoor, het is te groots geworden.

Ach ja, vanavond is het weer “studentenavond” in het dorp. Daar in dat kleine café worden de wereldproblemen tussen twee glazen bier opgelost, voor altijd. Ik verheug me er bijzonder op deze keer.

Stadsparken en Landgoederen

In de afgelopen weken mocht de boog even wat minder gespannen zijn op een paar tochtjes naar Noord-Frankrijk (Lille en omgeving) en de Achterhoek. Even relaxen onder het fletse, maar o zo welkome lentezonnetje. Drankje erbij, terrasje, je kent het wel. Maar toch werd ik vooral maar weer eens gegrepen door robuuste en volgens mij onmisbare structuren: het grote groen. Een stadspark en een landgoed brachten me in die weekendjes weg het meest in vervoering.

Het park

Stadsparken en ik, wij hebben wat met elkaar. Wij vinden elkaar wel prettig, heb ik het idee. Het park geeft me in ieder geval altijd het gevoel dat ik welkom ben en omarmt me met zijn grasvelden, statige bomen en vijverpartijen. Het gebeurde in Antwerpen Stadspark, maar ook in Central Park New York en zeker ook in het Jardin del Turia in Valencia. En ik op mijn beurt word vermaakt met alles wat zich door het park heen beweegt. Joggers, wandelaars, luilakken, spelletjesspelers. Met een ijsje of een bal, op een step of zo’n stadshuurfiets. Je weet dat ieder zijn leven met zich meedraagt, dat in ieders hoofd vreugde en zorgen strijden om voorrang. Maar in het park in de lente kan het allemaal tot rust komen.

Ik beleefde het vorige week in Lille, waar de omgeving rondom de Citadelle een toevluchtsoord is voor stadse ontspanning. Sport en spel wisselen elkaar af, evenals ontmoeting en contemplatie. Mooie woorden voor een paar heerlijke uurtjes in het stadspark. Bij ons op het platteland heeft het buitengebied in principe die functie, ook mooi, maar het heeft toch niet de allure en statigheid van zo’n park. In Gemert zouden het kasteel en omgeving in de buurt kunnen komen, maar dan zijn andere financiële en politieke beslissingen nodig vrees ik. 

Het landgoed

Wat zijn bepaalde hoeken van Nederland toch prachtig en de Achterhoek is zo’n hoek. Wat ze daar bijzonder goed kunnen: het landschap vermengen met statige bebouwing. Je voelt daar ook wat een landhuis of een kasteel een landhuis of een kasteel maakt. Ruimte, groen. Gebeurt er dan helemaal niks daar in dat hoekje? Jazeker wel. De bruine bordjes met toeristische verwijzingen staan in rijen van weet ik hoeveel opgesteld langs de weg. Pannenkoekenhuis, theehuis, golfbaan, ze maken dankbaar gebruik van de aantrekkingskracht van het gebied. Ik heb het al eens eerder opgeschreven, maar als je dan weer terug thuis komt dan besef je dat het Land van de Peel toch nog wel een lange weg te gaan heeft. 

We belandden voor een kopje koffie op landgoed Hackfort, op het terras van het koetshuis bij het gelijknamige kasteel. Temidden van een ontluikende moestuin en een draaiende watermolen proefden we van een heerlijk versierd gebakje, terwijl de zondagse wandelaars af en aan kwamen lopen om een van de routes door het omliggende Natuurmonument af te leggen. Het bruiste zonder te bruisen, het zal door de ruimte en de rust komen. Je voelt je klein en rijk tegelijk in zo’n setting. Bij ons in Gemert zouden het kasteel en omgeving in de buurt kunnen komen, maar dan zijn andere financiële en politieke beslissingen nodig vrees ik.

‘Wonen in een parkachtige omgeving’ briesen de nieuwbouwfolders heden ten dage. In werkelijkheid is het een gevecht om elke vierkante meter groen (de een wil hem groen, de ander liever niet). Ik bevind me zelf vaak genoeg in die strijd. Het is goed beschouwd een futiliteit waar vaak buitensporig veel over te doen is. Kunnen we ons niet beter richten op de grote gebaren, het brede welzijn en echt energie stoppen in robuuste groenstructuren? Een loze kreet, dat weet ik ook wel (want hoe moet je dát dan weer organiseren, het is al zo moeilijk allemaal), maar het moet me toch even van het hart omdat het me zo goed deed. 

Stadsparken en landgoederen hebben we nodig!

Mijn mening over de Omgevingswet

En weer werd hij uitgesteld: de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Formeel omdat (onder andere) de digitale systemen er nog niet klaar voor zijn, maar ik denk dat er ook nog een andere reden zou kunnen zijn geweest: ík had mijn mening nog niet gegeven. Daar komt nu verandering in. Ik heb me namelijk onlangs uitgebreid en verdiepend maar liefst vier dagen laten informeren over deze grootste wetswijziging ooit en nu kan ik dan eindelijk ook een standpunt innemen. Ik heb een kort samengevat standpunt en een wat uitgebreider, genuanceerder standpunt. 

Kort, samengevat standpunt

Doe het niet.

Wat uitgebreider, genuanceerder standpunt

Kijk, het is natuurlijk helemaal niet verbazingwekkend: als je vraagt om een geheel nieuwe wet te maken, dan krijg je een geheel nieuwe wet. Ik zie voor me dat er na zo’n idee op het ministerie denktanks geformeerd worden, commissies in het leven geroepen, consultaties gehouden en als het dan allemaal nieuw mag worden, dan wordt het ook állemaal nieuw: de juridische begrippen, de structuur van de wetgeving, de techniek die erachter zit. Alles op zijn kop, want je mag iets nieuws verzinnen. Het oude heeft sowieso afgedaan. 

Veel werk voor adviseurs in het ruimtelijk domein? Zeker. Veel werk en frustratie voor ambtenaren? Nogal. Goud voor de bestuursrechtelijke advocatuur? Dat sowieso. Het digitale stelsel blijkt een ramp, maar daar hebben we het begrip ‘kinderziektes’ voor uitgevonden. Nee, de professionals zullen zich de komende jaren opvreten en verkneukelen (afhankelijk van de positie), zoveel is me wel duidelijk. Maar je zóu nog kunnen zeggen: ooit went het, ooit komt het goed. Het is maar een wettekst, die moet je even begrijpen en leren toepassen. 

Eenvoudiger en beter

Kwalijker is dat de Omgevingswet vanaf het begin wordt verkocht als ‘eenvoudiger en beter’ dan wat we hebben. Dé oplossing voor alle strubbelingen en wrijving die we nu voelen in het ruimtelijk speelveld. Maar we kunnen inmiddels toch wel zeggen dat het dat helemáál niet gaat brengen. Ik kreeg tijdens de cursus het volgende citaat onder ogen uit een oud interview met toenmalig minister Schultz:

NIETS van wat daar staat, wordt opgelost met de Omgevingswet. Het gaat nog steeds om dezelfde afwegingen, je hebt nog steeds te maken met verschillende aspecten om een vergunning te krijgen, de bomen en het bos zijn er straks nog steeds. Je zou zelfs met gemak kunnen beargumenteren dat het aantal bomen nog verder toeneemt, zodat het bos nog verder uit het blikveld verdwijnt. Zéker voor de gemiddelde burger, waar het allemaal om begonnen zou moeten zijn. De schellen vielen van mijn ogen toen ik dit stukje interview las. Iemand moet toch concluderen dat het misschien niet helemaal uit de verf is gekomen?

Gemeenten

Ook politici in de gemeenten kijken reikhalzend uit naar de komst van de Omgevingswet. Want dan: participatie! Want dan: eenvoudiger en flexibeler! Bij ons zeggen ze: “Kunde rekenen? Rekent er maar nie op!”. Dat wil zeggen: het kan allemaal wel, maar je moet er wel wat voor doen. Over alles moet de gemeenteraad straks (opnieuw) gaan nadenken bij het opstellen van het omgevingsplan: over normen, over wanneer wel of niet flexibel, over delegatie van besluiten. Participatie? In de wet staat dat er aangegeven moet worden óf je burgerparticipatie hebt toegepast, ja of nee. That’s it. Verder moet de gemeente maar beleid ontwikkelen op dit thema (oh ja, veel gemeenten hebben dit beleid gewoon al, maar dan heet het ‘Zorgvuldige omgevingsdialoog’). Het opstellen van het omgevingsplan door de gemeente wordt echt ‘a hell of a job’, ik benijd ze niet. En met het risico (of eigenlijk: de zekerheid) dat er foutjes doorheen glippen, zodat ongewenste effecten ontstaan. Die foutjes moeten dan weer gerepareerd worden, al dan niet met stoom en kokend water. 

Problemen

Gelukkig is er tijd, geld en personeel genoeg om ook dit in goede banen te leiden….oh nee, wacht. Dat is niet waar, geloof ik. Woningbouwopgave. Stikstofcrisis. Ambtelijke capaciteit. Energietransitie. Zomaar een paar termen die ik ook wel eens voorbij zie komen. Ik heb me nu voldoende laten informeren om de conclusie te trekken dat de oplossingen voor al deze problemen eerder verder weg komen liggen dan dichterbij gebracht worden door de Omgevingswet. Ik heb ergens het idee dat we ons dat niet kunnen permitteren als samenleving. Er moeten juist doorbraken komen, niet nog meer zandzakken voor de deur (dit is een hele slechte vergelijking in relatie tot de klimaatcrisis maar je begrijpt wat ik bedoel). 

Verzuchting: had nou eens goed gekeken naar het ’tweaken’ van het bestaande instrumentarium om tot je op zichzelf nobele doelen te komen. Dan was je waarschijnlijk ook ergens uitgekomen, met behoorlijk forse veranderingen in het stelsel misschien ook nog wel. Maar dan had het niet zo’n enorme shitstorm teweeg gebracht in ruimtelijk Nederland. Met heel kwalijke gevolgen, dat zullen we gaan zien. 

Ik ben van nature positief, al kan ik ook best wel beren op de weg zien. Dat talent heb ik in eerste instantie proberen uit te schakelen toen ik mij liet onderwijzen. Alleen: als die beren zo massaal voor je voeten worden gesmeten, dan helpt niets meer. It can’t be unseen. De samenvatting van mijn mening blijft daarom: doe het niet. 

Het kan allemaal nog veel uitgebreider en genuanceerder, maar daar hebben we de ‘long reads’ voor. Maar daar kom ik zelf ook amper doorheen, dus we laten het hierbij. Ik wens iedereen succes, wijsheid en vooral: sterkte. Het zal toch wel doorgaan, vrees ik. Ondanks mijn mening.

Verkiezingspraat (5): de uitslag

Er is een politiek duider aan mij verloren gegaan: ik zat er warempel niet ver vanaf met mijn voorspelling van de uitslag. Tenminste, als het om de grote beweging gaat. Drie zetels verlies voor het CDA, Dorpspartij gelijk, en de winst ging naar VVD, D66 en Lokale Realisten. Die laatste twee had ik omgewisseld (2 om 3 zetels) en de winst van de VVD had ikzelf wat hoger ingeschat. Zwaar vergist heb ik mij domweg in de aantrekkingskracht van Sociaal Gemert-Bakel. Dus eigenlijk valt het nogal mee met mijn voorspellende gaven 🙂 De coalitie voorspellen is ook niet zo moeilijk trouwens: de oude + 1.

Miserabel bij deze verkiezingen is natuurlijk de lage opkomst en dat was in Gemert-Bakel niet anders. In sommige stembureaus lag het op 30%, nog niet eenderde. Ik denk dat daar in de komende jaren een project van gemaakt moet worden (aandrijving nodig? haha), om ervoor te zorgen dat je niet nog eens door een soort van ondergrens zakt, want die is met minder dan 50% toch wel bereikt. Maar ook al is het 55%, dan nog geven veel te weinig mensen zich over aan de democratie. Je kunt er neerbuigend over doen, je kunt je afkeren van ‘politieke spelletjes’, je kunt menen dat het toch niets uithaalt, maar ik ben er nog altijd van overtuigd dat de mensen die zich politiek activeren in overwegende mate het beste voor hebben met de Gemert-Bakelse gemeenschap en ik vind dat ze best wat meer ondersteund mogen worden voor hun bezigheden in de vorm van draagvlak in het stemhokje.

Misschien dat de populariteit van de uitslagenavond nog een boost gegeven kan worden. Onder het genot van een (gratis!) pilsje en hapje gespannen en ontspannen uitkijken naar weer een uitslag, ondertussen loerend naar de reacties van de politici en de coalitievormende bewegingen die zij na de einduitslag maken, wie wil dat nu niet? Nou, op dit moment ontzaglijk veel mensen, want ik was echt wel een van de weinigen die niet uit hoofde van zijn of haar functie daar was. Gelukkig waren daar mijn oud-collega’s van het gemeentehuis die hun vierjaarlijkse taak op het stembureau nog altijd met verve volbrengen en met wie het gezellig buurten was. Ik vond het – alhoewel niet zo spectaculair als in andere jaren door de volgens mij voor bijna iedereen verwachte uitslag – weer een leuke avond.

Over vier jaar weer! (Enne, Stefan: the floor is yours!:-)

Verkiezingspraat (4): de machtsbalans

De gang naar het rode potlood wordt al door menigeen gemaakt deze dagen, en ik ben er nog steeds niet helemaal uit. Er is geen voorman- of voorvrouw die mij in het bijzonder aanspreekt of bijzonder aansprekende resultaten heeft neergezet en via de inhoud ben ik nog niet helemaal tot een slotsom gekomen. Dan is nu de vraag: waar komt het op aan als ik me richt op de term ‘strategisch stemmen’?

Machtsbalans

Laten we even het spelletje spelen dat ik met mijn ene stem de macht heb om de krachtsverhouding te bepalen of bepalend bij te sturen. Dan zou ik – dat is me nu eenmaal van huis uit ingegeven – een stem bezijden de macht plaatsen. Dat betekent in Gemert-Bakelse kringen: niet op het CDA. Dit kost me niet veel moeite, aangezien ik noch op de persoon, noch op de inhoud omver geblazen ben door partij nummer 1 op de kieslijst. Ondanks mijn inspanningen afgelopen jaren om een boek over hun lokale boegbeeld te schrijven. 

Overigens denk ik dat de macht van het CDA niet wordt ingeperkt door wat ik met mijn stem doe. De partij doet er goed aan zich in te dekken voor een teleurstelling, is mijn welgemeende advies. Landelijk is het natuurlijk electoraal al huilen met de pet op, lokaal moeten we concluderen dat de mensen die het CDA-gezicht vormen zich eigenlijk nog helemaal moeten bewijzen. Dat was in het verleden anders, met Harrie Verkampen, Inge van Dijk en Anke van Extel-van Katwijk als ervaren sterkhouders. Interessant is het daarbij het proces-verbaal van de vorige verkiezingen er eens bij te pakken. De twee voornoemde dames haalden samen met Miranda de Ruiter 3145 stemmen van de 5539, dat is ruim 55%. Alle drie hebben ze de lokale politiek verlaten. Willeke van Zeeland was vier jaar geleden ook een behoorlijke stemmenstinger en ik dicht ze echt wel een mooie toekomst toe, maar de huidige lijsttrekker was in 2018 nog niet zo in trek. Dat wil niet alles zeggen (mensen stemmen nu eenmaal op lijst 1, nummer 1) maar gevoegd bij de landelijke trend en het feit dat het CDA haar 11 zetels de vorige keer mede te danken had aan twee restzetels denk ik: mwa.

Als ik denk in tegenmacht, dan zou ik VVD moeten stemmen. Ontegenzeggelijk is Jan Vroomans de politieke tegenstrever van het CDA die het meest in de picture stond de afgelopen jaren. Maar ik ga gewoon geen VVD stemmen. Ik doe het niet. Punt. Teveel de partij van ongemakkelijke posters, boter-op-het-hoofd-uitspraken, radicaal marktdenken en “Links is de schuld van alles, hoewel wij zelf al weet ik hoelang regeren”. Lokaal heeft last van landelijk, in mijn geval.

Voorspelling

Ondanks dat ík niet op Jan stem, verwacht ik dat best wel wat mensen in Gemert-Bakel dat wel gaan doen. De vier zetels waar de VVD op mikt, zouden best wel eens binnen handbereik kunnen zijn, al was het maar omdat de proteststemmers vier jaar geleden ook terecht konden bij Ton Vogels (toen Lokale Realisten/D66) en Jan Hoevenaars (toen SP) en dat is nu niet meer. De laatste partij (inmiddels Sociaal Gemert-Bakel geheten) valt terug vanwege alles-net-niet, ten faveure van de PvdA schat ik in. Die partij hoeft ‘maar’ 200 stemmen meer te krijgen dan de vorige keer voor een zetel en dat moet toch haalbaar zijn, zou je zeggen. Zeker met zo’n helder kasteelstandpunt. 

En de Dorpspartij? Ach ja, de Dorpspartij. In mijn geheugen scoren die altijd hetzelfde. Het kan een zeteltje meer of minder schelen, maar hun ‘fanbase’ is volgens mij hondstrouw, ik weet niet beter. Resteren nog D66 en de Lokale Realisten, gaandeweg tijdens de afgelopen rit gesplitst. Zij fladderen wat in het midden, waren oppositie maar begeven zich net zo gemakkelijk naar de andere kant na morgen, om de coalitie met CDA en VVD compleet/breed te maken. D66 lijkt me de wind mee te hebben vanuit Den Haag: hoewel de ongemakkelijke momenten zich ook daar aaneenrijgen, gaat de partij er lokaal toch wel iets van meepikken dat ze de tweede van het land zijn. 

Zodoende komt mijn persoonlijke peiling, geheel ontstaan in de krochten van mijn gedachten, niet stoelend op noemenswaardig succes bij dit soort raadspelletjes in het verleden, uit op de volgende zetelverdeling in de Gimmertse raad:

CDA                                         8

Dorpspartij                            4

VVD                                         4

PvdA                                        1

D66                                          3

Lokale Realisten                      2

Sociaal Gemert-Bakel             1

De oplettende lezer zal merken dat ik heel behendig van mijn eigen stemkeuze naar een algemene voorspelling ben gegaan in dit stukje tekst. Dat is bewust. Ik laat het nog even marineren, deductief komen we toch al best een eindje. Morgen zeg ik: dit wordt ‘m!

Eén ding staat als een paal boven water: stemmen zal ik. Want om niet mijn mening te mogen verkondigen over lokale aangelegenheden, dat is voor mij niet te verkroppen. En door niet te stemmen zou ik dat recht verspelen. Doe met mij mee en bezoek uw stembureau!

Verkiezingspraat (3): de inhoud

Er zijn gemeenteraadsverkiezingen geweest waarbij ik me in mijn keuze vooral heb laten leiden door de indruk die de betreffende politieke voorman of -vrouw achterliet in het lijsttrekkersdebat. Dit jaar red ik het daar niet mee. Dan moet het misschien tóch van de inhoud komen. Gelukkig voor mij en andere kiezers heeft het Gemerts Nieuwsblad de verkiezingsprogramma’s doorgenomen en de boel aardig op een rij gezet. Ik pik er eens een paar onderwerpen uit die mij aan het hart gaan: de visie op ruimtelijke ordening en dan met name het buitengebied, klimaat en natuur en het kasteel (woningbouw kwam al in mijn eerste verkiezingsblog aan bod).

Visie op het buitengebied

Zo, de boer is het haasje. Dat is wel mijn conclusie als ik de samenvatting lees van de standpunten. De intensieve veehouder althans, als het aan D66, Lokale Realisten, PvdA, Sociaal Gemert-Bakel en de VVD ligt. Het is natuurlijk een herkenbaar sentiment, actueel gevoed door de discussie over de uitbreiding van een Gemerts varkensbedrijf. Ik vind de benadering echter wat eng, niet spookhuis-eng maar: beperkt. Natuurlijk is dit een thema, maar er is zoveel meer aan de hand in het buitengebied. De al dan niet afgedwongen terugtrekkende beweging van de veehouderij roept allerlei nieuwe vragen op over de verdeling van de ruimte en de functies die met elkaar samen kunnen gaan en in welke vorm dit dan moet gebeuren. Ik zie daar niet heel veel van terug; misschien bij het CDA die het heeft over het herzien van het VAB-beleid, of bij Lokale Realisten die eigenlijk nog het meest de indruk wekken breed na te denken over een toekomstplan. Dat verengen zij dan wel weer tot zones rond kernen zonder uitbreiding van veehouderij ten faveure van andere functies (hé, waar hebben we dat eerder gehoord? En schuift de zone op zodra het dorp uitbreidt, net zolang tot we bij de bossen zijn aanbeland? En betekent het dat andere functies buiten die zone niet welkom zijn?), maar het begint wel bij denken in termen van visie natuurlijk. Ik zou dat als positief punt willen betitelen.

Klimaat en natuur

Dit alomvattende thema is alom aanwezig en dat maakt het ook misschien nu al wat ongrijpbaar of te onbepaald, eigenlijk nog voordat de noodzakelijke maatregelen goed en wel aan de orde zijn. Iedereen voelt wel dat er iets moet gebeuren, zeker ook ikzelf, maar de stap naar acties die verdergaan dan zonnepanelen en warmtepompen zet nog maar een handjevol mensen. Toch het nog meer moeten ‘verinnerlijken’ (om maar eens een lelijke term te gebruiken die ik van blok 1.3 van het eerste jaar Milieubeleid op de universiteit heb onthouden) en daar hoort een krachtig geluid bij vanuit de politiek. Voor mij zijn biodiversiteit, natuurontwikkeling en (zwerf)afval aansprekende onderwerpen waar de gemeenteraad ook echt een goede rol in kan spelen. 

Waar Lokale Realisten op het vorige thema zo goed bezig waren, is de samenvatting nu: “maak een aanspreekpunt voor advies over verduurzaming”. Ja, dat zal ze leren! De Dorpspartij komt met een ambitieus ogend idee om de natuurgebieden Stippelberg en Grotelse Heide te verbinden, maar volgens mij kun je nu van De Rips naar de Heikantseweg lopen over paden door de bossen en dan hoef je maar één keer de harde weg over. Ik word ook niet warmgemaakt door de samenvatting van de ideeën van het CDA, PvdA en VVD. Iets over luchtkwaliteit en regenwater afkoppelen. Slapjes. Eigenlijk valt op dit thema de samenvatting van D66 bij mij het meest in goede aarde: klimaat-robuuste inrichting, hergebruik in plaats van wegwerpen, gezonde leefomgeving, alle keuzes van vandaag moeten goed zijn voor morgen. Dat biedt aanknopingspunten denk ik. 

Het kasteel

Tsja, onze parel….. ik volg dit onderwerp natuurlijk nauwgezet zoals bekend. De politieke standpunten spitsen zich nu eigenlijk alleen maar toe op het wel of niet bebouwen van de landerijen. Qua inhoud heb ik daarover persoonlijk niet echt een uitgesproken mening (behalve over het bouwen op het voetbalveld, dat vind ik een verschrikkelijk idee), maar waar ik vooral geïnteresseerd in ben is het proces: welke rol neemt de gemeente op zich, nu al bekend is dat de tegenstanders hun messen slijpen en daarvoor genoeg munitie krijgen aangereikt door een gebrekkig proces en juridisch rammelende besluitvorming? Welke verantwoordelijkheid meent de gemeenteraad te hebben in dit majeure project: wil ze sturend aanwezig zijn om de herontwikkeling tot een goed einde te brengen of laten ze de projectontwikkelaar de kastanjes uit het vuur halen, jarenlang strijden in de rechtbanken en als het niet lukt jammer dan?

De PvdA heeft onbedoeld de grappigste opmerking van allemaal. Zij zijn ‘faliekant tegen het betrekken van de directe omgeving van het kasteel bij de plannen’. Verder weg van de geest van de omgevingswet (participatie!) kun je niet staan, haha. Maar ze bedoelen natuurlijk het bouwen in de directe omgeving van het kasteel. Ze zijn wel heel duidelijk en dichten de gemeenteraad een prominente rol toe in de verdere planvorming. Opvallend is dat de VVD blijkbaar geen mening heeft op dit thema, maar dat wordt verderop in de krant goedgemaakt. Of: goedgemaakt….woningbouw is alleen voorstelbaar als de ontwikkelaar geld tekort komt, zegt de partij. Geloof me: dat kan hij wel aantonen hoor. De VVD miskent daarmee – ondanks dat de provincie in dezelfde zin genoemd wordt – dat instemming verkrijgen vanuit Den Bosch moet voortkomen uit ruimtelijke, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten en niet uit geld.

Verder is de samenvatting vooral een opsomming vóór of tegen bebouwing. Nou ja, vóór wordt eigenlijk nergens direct genoemd, maar neem maar van mij aan dat CDA’s ‘Behoud door ontwikkeling’ precies dat betekent. Dat kán, maar door de belabberde aansturing van het kasteelplan vanuit het gemeentehuis door achtereenvolgende CDA-wethouders ontwikkelen ze voorlopig vooral veel discussies en rechtszaken ben ik bang. Volgende verkiezingen meer hierover…. 

Langs de lijnen van de inhoud – om met Sigrid Kaag te spreken – vernauwt mijn keuzepalet zich wel enigszins nu, moet ik zeggen. Goed beschouwd zijn er eigenlijk nog drie in de race. Dat belooft wat de komende dagen in mijn brein.

Verkiezingspraat (2): het debat

Gisterenavond brachten Omroep Centraal en het Gemerts Nieuwsblad het lijsttrekkersdebat naar ons, de kiezers, toe. Ik kan me nog erg interessante avonden herinneren in De Eendracht, waar ik ook live bij was en waar de spanning tussen de deelnemers voelbaar was. Nu moesten we het alleen met beeld doen. Tussendoor zappend naar de Giro555-avond (er zijn ook andere dingen gaande) kwam ik tot de conclusie dat het helaas deze keer een ‘année sans’ dreigt te worden: een jaar zonder.

Ik heb een boek geschreven over iemand die twaalf keer actief heeft meegedaan aan de gemeenteraadsverkiezingen (en nu – zijn veertiende keer – zelfs nog lijstduwer is) en daarbij ook meerdere keren (of eigenlijk altijd wel) de ‘top dog’ ofwel de te kloppen man was. Wie “Kumt Goewd” leest, zal concluderen dat de vierjaarlijkse stembusgang vaak genoeg een dreh- und angelpunkt is geweest in de lokale politiek. We herinneren ons natuurlijk de machtsomwentelingen van 1999 en 2010 en de verkiezingen daarna, die de boel weer omflipten. Of de strijd van 1986, toen er ook van alles broeide. Dat had misschien niet zozeer met inhoudelijke onderwerpen te maken, maar meer met machtsverhoudingen en bestuurscultuur. En met sterke mensen, waar Harrie Verkampen zeker toe behoorde.

Maar er waren ook genoeg jaren dat het ‘gewoon doorging’. Dat er geen grote onderwerpen op tafel lagen en een richtingenstrijd zich in geen velden of wegen liet bekennen. Een jaar zonder. Ik heb het gevoel dat we in Gemert-Bakel nu weer zo’n jaar hebben. Niet dat er geen onderwerpen zíjn, maar ze zijn of nog niet echt ontvlamd (het kasteel, maar dat komt over vier jaar wel denk ik, als de chaos op zijn hoogtepunt is), of nog ‘under investigation’ (Cultuurhuis, geurbeleid) of gewoon geen sexy verkiezingsmateriaal (laten we wel wezen: alles waar geen ruimtelijke ordening aan te pas komt).

De mensen

Er zijn ook geen sterke mensen die eens even flink aangepakt zouden moeten worden in zo’n debat, of twee duidelijke opponenten. De lijsttrekker van de VVD (die ik hartstochtelijk heb horen pleiten voor sociale huurwoningen en jongerenwerkers) probeerde het even aan het eind in zijn een-op-een debat met de lijsttrekker van het CDA, maar die trok zijn “why can’t we all just get along?”-kaart, dus dat werd niks. De overige lijsttrekkers zijn aardige lieden met het hart op de goede plek, zeer oudgediend soms, maar retorisch niet vlammend. De nieuweling van D66 was redelijk goed bezig, maar verslikte zich toen hij uitsprak dat het moeilijk is om in De Mortel de supermarkt overeind te houden…als je niet weet dat daar inmiddels het succesvolle Dorpskantoor zit dan heb je voor mij natuurlijk afgedaan, haha.

We hebben nog een week, misschien komt het allemaal nog wat meer tot leven in Gemert-Bakel, maar ik ben er bang voor. Eén belangrijke les neem ik wel mee van gisterenavond: waar zouden wij als kiezer en hullie als politici zijn zonder de lokale media? Zowel de krant als de omroep staan -om verschillende redenen- onder druk en als zij daaraan bezwijken zou dat funest zijn. Het waarborgen van de lokale nieuwsvoorziening, dát zou nog eens een goed en belangrijk onderwerp zijn om als raad in de komende periode je tanden in te zetten.

Het debat: het heeft wel wát geholpen, maar ik ben er nog niet uit.

Verkiezingspraat (1): betaalbare woningbouw

De gemeenteraadsverkiezingen komen eraan, een vierjaarlijks ijkmoment waar ik naar uit kijk. De uitslagenavonden in het gemeentehuis van Gemert zijn legendarisch. En de inleidende beschietingen vaak interessant. Ik volg de verrichtingen van de wannabe volksvertegenwoordigers in ieder geval op de voet. Ook dit jaar. Ik zal er ook eens een enkele keer iets over schrijven, over iets dat opvalt, over taalgebruik. Dit blog gaat over ontegenzeggelijk hét onderwerp van de gemeenteraadsverkiezingen 2022: de woningbouw.

Wat is betaalbaar?

In Gemert-Bakel zijn nog niet alle verkiezingsprogramma’s gepubliceerd, maar uit artikelen in de krant en berichten op de websites kun je wel afleiden dat de immens treurige situatie op de woningmarkt probleem nummer één is. En ronkende, maar toch buitengewoon algemeen geformuleerde teksten hierover trekken aan ons voorbij. De algemeenste tekst: “we gaan zorgen voor voldoende betaalbare woningbouw”. Kernpunt 1 van het coalitieakkoord is al klaar, want iedereen wil dit.  

Ik ben geen expert in de woningmarkt-problematiek, anderen kunnen zich daarom veel gemakkelijker een veelomvattende visie permitteren dan ik. Maar ik kan wel lezen en me dan vragen gaan stellen. De vraag die nu vooral blijft hangen is: wat is betaalbaar? 

Is een betaalbare woning een woning die ‘niet duur’ of ‘te betalen’ is? Dat is immers de betekenis die Van Dale eraan geeft. Maar wat is te betalen? Voor wie? De woningzoekenden – vaak jonge stellen – buitelen over elkaar heen om de schaarse woningen die op Funda komen te kunnen bezichtigen. Ze rekken en strekken om een uiterst bod te kunnen doen waarvan je weet dat het om te beginnen al tienduizenden euro’s boven de vraagprijs moet liggen. Biedingen van 350.000 euro voor een bescheiden rij- of hoekwoning, daar kijkt niemand van op. Deze bieders hebben advies gevraagd aan de hypotheker van dienst en warempel: het blijkt te betalen. Is dat dan betaalbare woningbouw?

Is een betaalbare woning een woning tot een bepaalde verkoopprijs? Laten we zeggen: 250.000 euro. Klinkt betaalbaar, voor veel mensen. Maar de ontwikkelaar zegt: ja ammehoela, als ik mijn woning verkoop voor 250.000 euro, wordt diezelfde woning een maand later weer verkocht voor drie ton of meer. Want dat is hij in deze markt gewoon waard. En dieven van de eigen portemonnee, dat zijn mensen niet graag.

Is een betaalbare woning een starterswoning? Ook al zo’n mooie term, met een bijna sleets geraakte definitie. In de volksmond is een starterswoning een goedkope woning, maar een starter is bij definitie ‘iemand die zich voor het eerst op de markt voor koopwoningen begeeft’. Dat zijn heel veel verschillende mensen, met verschillende banen, verschillende ouders en dus verschillende bestedingsmogelijkheden. Heel veel overbieders van nu (die uit de voorvorige alinea) zijn gewoon starters. 

Is een betaalbare woning dan een sociale huurwoning? Dat wordt ook vaak aan elkaar gekoppeld. We kunnen stellen dat dit inderdaad klopt, een sociale huurwoning hoort betaalbaar te zijn. Zo zijn ze bedoeld en in dit speelveld is het al jaren een drama. Dus vooral bouwen deze woningen. Maar om dan een bouwoffensief enkel gericht op sociale huurwoningen te lanceren als oplossing van het woonprobleem is een onvolledige aanpak. Verreweg de meeste mensen komen niet eens in aanmerking voor een sociale huurwoning vanwege de inkomensgrens. De woningnood onder de mensen die in feite elke politieke partij voor ogen heeft, blijft dus gewoon bestaan.

Regelen

Eén vraag over één term en de veelkoppigheid van het monster dat woningnood wordt genoemd komt al pregnant naar voren. Ik benijd de politiek ook niet in deze. Toch heb ik er wel behoefte aan dat de politieke partijen hun algemeenheden wat concretiseren, dat ze de bovenstaande vragen voor mij beantwoorden. Op dit moment valt er namelijk niets te kiezen: iedereen zegt hetzelfde.

En dan volgt de volgende stap: het ook daadwerkelijk regelen. Dat is weer een heel ander chapiter. Je kunt wel iets roepen, maar als je niet de instrumenten aangrijpt om sturing te geven (klik hier voor een veelgedeeld artikel hierover), verandert er niets omdat je doet wat je altijd al deed. Tot nu toe zijn dat soort acties achterwege gebleven in onze gemeente. En dus moet er met veel pijn, moeite en ongemakkelijke gesprekken met partijen onderhandeld worden over een aandeel sociale huurwoningen in de plannen of over maximum verkoopprijzen. Dat kost veel tijd en tijd is nu juist iets wat we ons niet kunnen veroorloven. 

Iedereen is gebaat bij een helder beleid, vlotte besluitvorming en een gezonde woningmarkt. Maar er zal nog heel wat water door de Rips stromen voordat we op dat punt zijn, vrees ik. Betaalbare woningbouw: een schoolvoorbeeld van makkelijker gezegd dan gedaan.

Luchtfotoplanologie

Voor ruimtelijke ordenaars met een voorliefde voor kaarten en luchtfoto’s (en zijn we dat niet allemaal?) is het hedendaagse Internet een ware snoepwinkel. Pdok.nl, ruimtelijkeplannen.nl, kadastralekaart.com: ze geven tot op detailniveau een beeld van je projectlocatie en de diverse kaartlagen helpen ontzettend bij het opbouwen van je onderbouwing. Het levert enorme tijdwinst op ten opzichte van vroeger, toen je voor het verkrijgen van gegevens afhankelijk was van de gemeente of andere instanties of met je fototoestel helemaal naar pakweg Heesch bij Oss moest rijden om te weten hoe het er daar uit ziet. Top. Maar er schuilt ook een gevaar in. 

Gemak

De technologie brengt ons plannenmakers gemak, maar het moet niet te gemakkelijk worden. Ik maak me er zelf ook vaak schuldig aan: op een druilerige miezerdag, maak ik net zo lief een screenshot van Google Streetview dan dat ik vijf minuten moet rijden naar Gemert om een foto te maken van de situatie van vandaag. Die foto is waarschijnlijk toch te donker. Ook de gemeente ‘bezondigt’ zich hieraan. Maar ja, de medewerkers hebben dan ook de beschikking over nóg veel betere luchtfoto’s, onwaarschijnlijk gedetailleerd en scherp. AVG-waardig, zeg maar ;-). Dan is het, zeker met de beperkte tijd die beschikbaar is, wel zo handig om de plannen te beoordelen aan de hand van de luchtfoto. 

Wanneer een plan verder geen problemen oplevert, dan is bovenstaande werkwijze van adviseur en ambtenaar een prima manier om snel tot resultaat te komen. Het kan problematisch worden als er kritische opmerkingen komen over de stedenbouwkundige inpassing, de inrichting van de openbare ruimte, de landschappelijke inpassing. We hebben de neiging ontwikkeld – ook ik – om de brief te beantwoorden met een mail en die te beantwoorden met een mail waarop een gesprek volgt en nog een mail. Zonder ooit ter plekke gekeken te hebben hoe de vork ter plaatse nu werkelijk in de steel zit. 

Buiten

Al toen ik nog bij de gemeente werkte waren de locatiebezoeken soms ware aha-erlebnissen, in de zin van: aha, zit het zo? Een vanaf de luchtfoto hoog gewaardeerde bomenrij blijkt ineens niet zo bijzonder, een niet ontwaarde sloot gooit roet in het eten. Meestal ben je er dan snel uit wat de oplossing zou kunnen zijn. Een gebouw of weg iets opschuiven,  aanvullende beplanting plaatsen op een plek die echt effect heeft op de ruimtelijke kwaliteit. Buiten kom je vaak tot oplossingen, viel me toen op en het valt me nog steeds op. 

Afgelopen week heb ik het weer eens mogen ervaren. De aanvraag voor een op zichzelf klein bouwwerk dreigde op papier te ontsporen, maar gelukkig bleken de medewerkers van de gemeente meteen bereid om even te komen kijken. De laarzen aan, de wei in. In een half uur tijd deden de initiatiefnemer en medewerkers hun verhaal en ter plekke werd een oplossing bedacht die werkt voor beiden. Een half uur (vooruit: inclusief reistijd van en naar het gemeentehuis drie kwartier) en het was eigenlijk gepiept, alinea’s tekst in stevige brieven en mails voorkomen. 

Het lijkt misschien tijdverspilling om in de drukte van alledag je bureau te moeten verlaten, maar eigenlijk is het het tegenovergestelde. En het is nog gezond ook. Leermoment: op tijd naar buiten!

Links op de luchtfoto een gebouw dat planrealisatie mogelijk in de weg staat, rechts het daadwerkelijke ‘gebouw’ dat het probleem in perspectief plaatst.