Daar ben ik weer!

Een Projectaandrijving-blog, dat is me potdorie lang geleden. Maar er is weer een aanleiding voor. In een van mijn laatste blogs, nu twee jaar geleden, kondigde ik aan dat ik een gedeelte van de week weer in loondienst ging werken, bij Drieweg Advies in Keldonk. Nu kondig ik mijn vertrek daar aan, gepaard aan de mededeling dat ik de komende tijd (dus) weer als fulltime projectaandrijver door het leven ga.

Waarom?

Ik vind, mogelijk daarin gestimuleerd door recente gebeurtenissen, dat je op 45-jarige leeftijd wel moet kunnen zeggen: ik ben waar ik wil zijn en ik doe wat ik graag doe. Niet als eindstation, maar je wil toch tenminste op het goede spoor zitten. Dat was niet het geval. Ik merkte dat ik te vaak ‘nor munne zin’ bezig was met dingen waar ik in de basis geen verstand van heb en die ik ook niet leuk vind. Wat me wél plezier bracht waren de ontmoetingen met klanten, vaak grote agrarische ondernemers zoals tuinbouwers en champignonkwekers, hetgeen me veel en een mooi inzicht heeft gegeven in hun bedrijven en ondernemerschap. Ik heb echt hele mooie bedrijven en prima ondernemers leren kennen. Het kunnen sparren en buurten met collega’s was zeker ook weer eens leuk; erg fijn als een spontane woordgrap weer eens aankomt bij een ander persoon in plaats van dat het enkel grappig is in mijn hoofd. Maar het rekenen aan geurmodellen, fijnstofberekeningen en het tot in den treure pingpongen met al die gegevens, normen en regels tussen bevoegd gezag en aanvrager en het daardoor toenemende chagrijn aan alle kanten, maakten me meer en meer licht treurig.

Bovendien had ik doordat ik ook Projectaandrijving draaiende hield en dat (gelukkig) niet opdroogde, een overvolle agenda. En nu gaat het me er niet om dat ik te hard moest werken of een druk bestaan leed want dat kan ik goed hebben, maar ik liep voor mijn gevoel regelmatig achter dingen aan. De wezenlijke kern van aandrijving, namelijk voorop lopen, aanslingeren, kwam daarmee in gevaar. Laat staan dat er ruimte was in mijn leven voor persoonlijke ontwikkeling, voor verdieping of verbreding (zoals via een opleiding of cursus). Ik kan en wil nog steeds meer en andere dingen dan de wereld van vergunningen en bestemmingsplannen mij kan bieden. Dat zit nu eenmaal in mij, ik vind veel dingen leuk en interessant. Ik wil dit graag verder gaan verkennen.

Dat zijn in grote lijnen de redenen waarom ik ben gestopt bij Drieweg. Een heel verhaal, maar zo genuanceerd ligt het en ik hecht er waarde aan dat er een plek bestaat waar het complete verhaal gelezen kan worden. Viva mijn blog!

En nu?

De titel van dit stuk suggereert een terugkeer en eigenlijk voelt dat ook zo, ondanks dat ik eigenlijk nooit ben weggeweest. Maar ik voel min of meer dezelfde energie als toen ik eind 2011 met de hele handel begon. Het werken bij Drieweg Advies heeft me een vrachtlading aan nieuwe en waardevolle ervaringen opgeleverd, maar het voelt goed om weer zelf de koers van het leven te kunnen gaan bepalen. En het gevoel vind ik van tijd tot tijd toch best een goede raadgever.

Ik kwam een gedicht tegen van Merel Morre op social media (en in haar recente prachtige bundel Het Bekende Weg) en dat raakte me meteen. Het is getiteld ‘Zin’ (en in alleen dat woord zit al heel veel):

Lijnen in het landschap

“Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan”. Dit overbekende gedicht van Marsman komt bij me op als ik vanuit mijn werk bij grote fruittelers kom. En dat is in mijn huidige werkomgeving nogal eens. Oneindig lijken de rijen aardbeien-, blauwe bessen- en frambozenplanten, hectares vol worden momenteel klaargestoomd voor consumptie. Bijna overal worden ze ondersteund door palen, kappen, draden: de zogenaamde teeltondersteunende voorzieningen. En daar zit een probleem.

Teeltondersteuning

Schaalvergroting in de landbouw wordt vaak geassocieerd met de veehouderij, maar ook in andere agrarische takken van sport is het zichtbaar aanwezig, zoals in de tuin- en akkerbouw. Dus: veul en growt. Daarnaast werken deze boeren in de zogeheten ‘keten’, waarmee eigenlijk gewoon wordt bedoeld dat Albert Heijn en Jumbo het feitelijk voor het zeggen hebben. En omdat die geen regenputjes in de tedere bessenhuidjes willen, moet het spul overkapt worden geteeld. Voeg die twee bij elkaar en er ontstaan immense (behalve voor Oekraïense begrippen) percelen met teeltondersteunende voorzieningen. Het ‘plastic’, zo je wilt. En daar wringt de beleidsschoen, of eigenlijk: hij wringt niet, hij past gewoon niet. In de bestemmingsplannen is een maximale oppervlakte vastgelegd van een hectare of 3. En dat moet dan weer worden opgelost, en daar ben ik dan voor samen met mijn collega’s.

Lijnen

Nu heb ik een probleem wat feitelijk geen probleem is: ik vind het eigenlijk gewoon mooi. Ik hou van lijnen in het landschap, en patronen. Mijn fotografisch hart springt dan open en de voorbeelden op Instagram en demortel.com getuigen daar soms ook van. Of het nu gaat om een bomenrij, een kustlijn, een gebouw of Noord-Koreaanse parades: de herhaling en het lijnenspel bekoren mij zeer. Dus dat heb ik ook met teeltondersteunende voorzieningen. Al die palen netjes op een rij, als je erdoorheen kijkt zie je patronen en diepte. De repetitie van aaneengesloten regenkappen, taps toelopende containervelden richting de einder: prachtig!

Lijnen

Het is mij in enkele weken duidelijk geworden dat er een fundamentele beleidswijziging moet komen op het gebied van teeltondersteuning. Wat we nu aan het doen zijn vreet namelijk onnoemelijk veel geld en tijd en sjagrijn. Niet dat je heel het landschap maar onder de folie moet leggen, maar we moeten er wel over nadenken om een oplossing te krijgen zodat de telers gewoon hun werk kunnen doen om ons, consumenten, te voeden. Maar misschien -nee, zeker- moeten we in dat gesprek betrekken of het niet óók, onder bepaalde condities, mooi kan zijn. Als ík dat vind, dan zullen er toch wel meer zijn? Het is voor de liefhebbers van oernatuur misschien een gruwel dat ik dit zeg, maar ik vind het de moeite waard om het er in ieder geval eens over te hebben.

De schoonheid van iets onder ogen zien lijkt me altijd een goed begin van een oplossing.

“Drieweg Advies, met Casper Kalb”

IMG_1012Deze zin zal ik de komende tijd veel vaker gaan uitspreken. Hoe komt dat zo? Enige tijd geleden ben ik in contact gekomen met de eigenaar van Drieweg Advies, die ook in De Mortel woont. We zagen kansen om een samenwerking aan te gaan en daarmee elkaar en elkaars activiteiten te versterken. Dus je babbelt wat bij een kop thee, legt zo links en rechts wat zaken op tafel en uiteindelijk teken je voor een samenwerking van tenminste een jaar, met de intentie tot meer.

Waarom Drieweg Advies?

Drieweg Advies zit in Keldonk en begeeft zich al enkele jaren met succes op het terrein van de bedrijfsontwikkeling. Hun stiel is het begeleiden en adviseren van ondernemers, veelal (maar niet alleen) gelieerd aan plattelandsontwikkeling, in het woud van procedures en regels. Ze doen dus ongeveer hetzelfde als ik, maar dan met een groter bereik, zowel geografisch als in complexiteit van de projecten. Bovendien –en dat is ook een belangrijke drijfveer voor deze stap- heeft Drieweg zelf de nodige expertise in huis als het gaat om tekenwerk, milieu-onderzoeken en ondersteuning. Het werken in een team is wat ik wel eens gemist heb in de afgelopen viereneenhalf jaar. Dat is het lot van een ZZC’er (Zelfstandige Zonder Collega’s), maar dat hoef je niet lijdzaam te blijven ondergaan.

Schermafbeelding 2016-06-12 om 10.58.22Meer projecten, grotere projecten, bredere projecten, betere ondersteuning, meer collega’s en -niet onbelangrijk- meer zekerheid over de pecunia. Waarom zou ik het dus niet doen, in ieder geval proberen? Vandaar dat ik het besluit genomen heb om 3,5 dag per week voor en met Drieweg Advies te gaan werken. Inmiddels heb ik de eerste week erop zitten en al veel indrukken op mogen doen, waarbij de rondgang langs diverse klanten (met soms schier onafzienbare rijen aardbeien) al meteen mijn ogen openden. Uitdagingen genoeg!

En Projectaandrijving dan?

Degene die goed kan rekenen, en ook wie daar iets minder in bedreven is, komt al snel tot de slotsom dat er in een werkweek tenminste 5 dagen zitten en dat er dus 1,5 dag resteren. Die houd ik vooralsnog even voor mezelf. Sowieso heb ik mijn lopende projecten die de aandacht moeten krijgen die ze van mij gewend zijn en de dingen die ik met casperkalb.nl doe (Teksten, Ontwerpen, Presentaties) vind ik veel te leuk om ermee te stoppen. Die bezigheden horen ook bij mij en dat vindt meer en meer zijn weg merk ik.

Voor Projectaandrijving wordt het achterland nu veel groter. Ik heb voortaan een directe link om bijvoorbeeld milieu-onderzoeken uit te kunnen laten voeren of mooi tekenwerk toe te voegen aan de plannen. Het zal ook zeker gebeuren dat mogelijke opdrachten die via mijn netwerk binnenkomen door Drieweg Advies verder worden gebracht. We gaan kijken hoe dat loopt.

Ik ben dus zeker nog wel zelfstandig en ondernemend bezig en ik zal de mind-set die daarbij hoort ook inzetten voor mijn werk bij Drieweg Advies. Ik wens mijzelf veel succes en plezier!

Resultaten zien: goed wonen in Gemert

Elzen1Het was weer eens tijd voor een Rondje Resultaten, want ik hoor net op de radio dat je je elke keer als je naar buiten gaat van binnen een beetje lekkerder voelt. Nou, dat doen we dan maar en vandaag de dag kom ik dan uit in Gemert, waar op verschillende plekken door de plaatselijke woningcorporatie nieuwe huurwoningen worden gebouwd. Als planologisch ondersteuner van de projectleider mocht en mag ik me daarmee bemoeien, dus dan is het ook leuk als de plannen werkelijkheid worden. Dat kan dan weer in de portfolio.

Klein-stedelijk

Wat opvalt is, dat het gaat om fijnmazige plannen op plekken die aan herstructurering toe waren. Geen grootschalige lappen woningen, keurig in kavelrijen verdeeld met een opgemeanderde sloot daartussen voor de groene wijkbeleving, maar kleine woningen en appartementjes op een onooglijk en hoekig stukje grond tussen bestaande bebouwing waarvan je denkt: past het er allemaal wel op? Het doet mij soms denken aan die frommelhoekjes in de stad, waar toch een zekere uitstraling van uitgaat. “Wat een leuk binnendoorsteegje!” “Wat een charmante woninkjes!”. In de stad zijn we het al jaren gewend, maar op het Gimmertse platteland voldoet het blijkbaar ook aan een behoefte want er is belangstelling genoeg. Naast de projecten voor de woningstichting heb ik nog een paar van dat soort plekken meer onderhanden.

De moeilijkheid met deze plannetjes ligt keer op keer in dezelfde twee-eenheid: parkeren en groen. Een spanningsveld waar iedereen in het proces het moeilijk mee heeft. Voldoen aan normen of financieel uitkomen, het moge duidelijk zijn aan welke kant meestal het balletje rolt. Maar de spanning blijft, ook in het proces. Het frustreert mensen. Zoals voor zoveel dingen heb ik zo 1-2-3 niet de oplossing, maar een begin zou denk ik zijn om een integrale blik op het plan te werpen: is het een leuk plannetje, wordt het een beetje een fijne omgeving? Zo ja, ga vooral door. Zo nee, benoem waar hem dat in zit en ga kijken of er iets aan te doen is. Iets meer de kwaliteit, iets minder de getallen.

Elzen2

Elzenhof in Gemert

Prettig wonen

Het ene voorbeeld is wat beter geslaagd dan het andere, en dat blijkt ook uit de reacties ‘op straat’, maar het nieuwe wijkje Elzenhof beroert mijn hartje toch wel het meest. Hier komt dat klein-stedelijke mooi tot uiting, vind ik. Ik was bij de presentatie al best onder de indruk van de denkwijze van de architect, en dat heeft zich in de praktijk bewezen. Het ligt er charmant en mooi besloten bij. Foto’s van de binnenkant die op Facebook circuleren geven mij ook het idee dat het er prettig wonen wordt. Dat is toch een hele verbetering met de gribus die deze plek de laatste jaren was.

Ik hoop in de komende jaren nog meer Rondjes Resultaat te mogen maken; in sommige gevallen ligt dat helaas nog wat verder weg (‘you win some, you lose some’), maar deze woningbouwplekken zijn toch maar mooi ‘in the pocket’.

Irene

Prinses Irenestraat

Virmundt

Virmundtstraat: over een tijdje kijken wat het geworden is

Die vermaledijde leges

legesTijd voor een van de meest gehekelde onderwerpen in het vakgebied: de gemeentelijke leges. Verfoeid door elke initiatiefnemer (overigens nu al een goed onderwerp voor mijn blog, omdat ik de woorden ‘vermaledijd’, ‘verfoeid’ en ‘gehekeld’ heb kunnen gebruiken). Ze hangen als een blok aan het been aan, of een zwaard van Damocles boven, elk initiatief. “Het is al zo duur, en dan komt de gemeente ook nog met leges…”. Tsja, zo werkt het inderdaad. Maar het grote euvel is denk ik de hoogte ervan en de grote verschillen tussen gemeentes.

Kostendekkend

De algemene definitie krijg je nog wel uitgelegd: “Leges is een betaling aan de overheid waar een aanwijsbare tegenprestatie van die overheid tegenover staat.” De gemeente maakt kosten: ambtenaren draaien uren om jouw plan te beoordelen, B&W- en raadsvoorstellen te schrijven, kaarten en teksten op te nemen in de bestemmingsplannen enzovoort. Die werkzaamheden moeten betaald worden en dat krijgt de initiatiefnemer op zijn bordje. Uiteindelijk moet het hele verhaal kostendekkend zijn, zodat de gemeente niet het schip in gaat. Tot zover het deel dat goed uitlegbaar is.

Er is een gemeente hier in de regio die 11.000 euro vraagt voor het in behandeling nemen van een wijzigingsplan, bijvoorbeeld voor een boerderijsplitsing. 11.000 euro! Als ik dat even omreken naar mijn uurtarief dan betekent dat dat daar ongeveer 120 uur werk tegenover moet staan. Een medewerker van de gemeente zou 3,5 volle werkweken continu productief met een plannetje bezig zijn waar ik zelf nog geen dag in heb zitten (ga nu alsjeblieft niet uitrekenen wat ik daaraan verdiend heb, mensen!)  en dat 14 pagina’s beslaat. Gevoelsmatig is dat bizar. Maar ja, de gemeenteraad stelt de verordening vast op basis van de kengetallen uit de organisatie en ik weet uit eigen ervaring dat die tegenwoordig goed worden bijgehouden in fabuleuze tijdschrijfsystemen. En dus zou het moeten kloppen en krijg je er met geen mogelijkheid een speld tussen.

Leg het uit

Toch knaagt het. Temeer omdat steeds meer werkzaamheden op het bordje van de initiatiefnemer worden gelegd. Dat is de doctrine: je moet zelf alle stukken aanleveren, wij toetsen “alleen maar”. Desondanks gaan her en der de leges nog steeds omhoog! Dus dat toetsen behelst toch nog wel behoorlijk wat. En of het nu 8.000 euro (ruim 85 uur!) of 4.000 euro (ruim 40 uur) is, het klinkt als veel en het ís veel voor de mensen.

Bedenk eens wat je allemaal hebt gedaan als je 40 uur achter elkaar productief met iets bezig bent geweest (ook al worden die uren afwisselend door een stuk of 10 specialisten uitgevoerd). Pfoe!

Tip: leg het beter uit. Ik ken een gemeente die een specificatie vooraf opgeeft van wat ze precies gaan doen, welke waar je krijgt voor je geld. Dat is prettig maar ik besef ook dat dat de deur openzet naar lastige discussies op onderdelen: moet dat zoveel tijd kosten, kan dat deel niet sneller, ik ken iemand die het goedkoper kan. Het is veel gemakkelijker om te verwijzen naar de door de gemeenteraad vastgestelde vaste legeskosten, bepaald op basis van gemiddelden. En ik denk ook wel dat dat laatste mijn voorkeur nog steeds heeft. Maar op een of andere manier moet je toch kenbaar kunnen maken aan de initiatiefnemers van plannen in jouw gemeente waarom de kosten zijn zoals ze zijn.

Het zou ergernis en frustratie kunnen schelen en dat lijkt me ook wat waard. Meer dan 11.000 euro. Of 8.000. Of 4.000. Want die verschillen tussen gemeentes, daar kunnen we het ook nog wel eens over hebben met elkaar.

Ik zou ervoor pleiten dat hele systeem toch eens écht kritisch tegen het licht te houden. Maar gelukkig blijven sommige dingen gewoon hetzelfde: of ik dit nu opschrijf in dit blog of het te berde breng in een afdelingsoverleg zoals vroeger, heel veel zal er niet door veranderen. Behalve dat ik er nu rustiger onder blijf dan toen ;-).

Jaaroverzicht der projectaandrijving 2015

champagne glass against christmas sparkler backgroundHoe kun je tot een jaaroverzicht komen, als je er een half jaar uit hebt gelegen? Dat is de vraag. Nou, misschien door dat half jaar te betrekken bij het jaaroverzicht want het is in zakelijk opzicht wel bepalend geweest voor 2015. Nogal. Het past dan ook om daar op terug te blikken. Ik eindigde mijn jaaroverzicht 2014 met de woorden: “ik wens iedereen een fantastisch nieuw jaar toe, met veel gelukkige momenten in goede gezondheid.” Dat ging al snel mis, voor mezelf.

Guillain Barré

Het heette dus het Guillain Barré Syndroom, waar ik ineens eind januari mee geconfronteerd werd. Tenen begonnen te tintelen (dat doen ze nu nog steeds), raar gevoel op de huid en in de mond, ontzettende pijn in de rug ’s nachts en eenmaal in het ziekenhuis begon ik te wankelen op mijn benen en viel mijn rechter gezichtshelft een beetje uit (maar een beetje is genoeg voor de nodige bezorgdheid, kan ik je melden). GBS is een aandoening aan het centrale zenuwstelsel, getriggerd door een lichaamseigen reactie op een virus of infectie, in mijn geval de gewone griep.

Dus daar lig je dan. Carnaval ging aan me voorbij, dat was de eerste tegenvallende conclusie. Maar ineens zit je dus ook zonder werk, zonder inkomen. Dat is het moment dat je wél blij bent met de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, in tegenstelling tot al die maanden daarvoor sinds 2011. De uitkering is geen vetpot, maar het is tenminste iets. Want als je als zzp’er niet kunt werken, komt er gewoon niks binnen. En niks is weinig. Het gaf me in ieder geval genoeg ademruimte om goed te werken aan mijn herstel, dankzij de inspanningen van alles en iedereen op Blixembosch, dankzij mijn naaste omgeving en dankzij mezelf want daar begint en eindigt het.

“Ik doe nu alles weer”, is mijn mantra als mensen mij belangstellend vragen hoe het gaat. Dat leidt soms tot wat extra vermoeidheid of hoofdpijnen die ik eerder niet voelde, het ligt aan de omstandigheden. Kwestie van goed blijven doseren en via sport het lichaam blijven trainen (de leden van Badmintonclub De Mortel plukken inmiddels wekelijks de vruchten van dit inzicht). De revalidatie-arts meldde me dat het bij Guillain Barré twee tot drie jaar duurt voordat alle symptomen helemaal weg zijn. Daar houd ik me wel aan vast als het weer een keer ietsje minder gaat. En als ik terugdenk aan het allerbeginste begin, dan ben ik toch gigasprongen vooruit gegaan. Ik kan nu weer rennen bijvoorbeeld, iets dat helemaal niet meer ging (tot lachens toe van omstanders); en ik zit niet meer scheel achter de computer na een kwartier of zo. Daaraan blijven terugdenken is wel een goede oppepper.

Opdrachten

Maar goed, ondertussen had ik natuurlijk wel een paar opdrachtgevers die iets van mij verwachtten. Ze hebben zich eigenlijk stuk voor stuk heel geduldig getoond na het horen van het nieuws. Ik kon wat dat betreft mijn tijd nemen om te herstellen, en langzaamaan de boel weer opbouwen. Sinds de zomervakantie ben ik ook echt weer fulltime aan de slag. Het maakt dat projecten wel vertraging hebben opgelopen; vervelend, maar het is niet anders. Zulke dingen maak je mee.

Het oppakken van de draad gebeurt met kleine successen en ‘minor setbacks’ wat betreft de klussen die ik onder mijn hoede heb. Oftewel: zoals vanouds. Met een goed gevoel kijk ik naar mijn projecten in De Mortel, die over het algemeen vlot lopen al hoop ik van ganser harte dat Plan Zuid in 2016 écht concreet kan worden (het wordt simpelweg de hoogste tijd). Ik heb op het vlak van de ruimtelijke ordening en contacten met opdrachtgevers en gemeenten weer het nodige opgestoken, waarover ik al in eerdere blogs verhaald heb. Het is niet allemaal even verheffend geweest, maar ik heb mijn aandeel in ieder geval weer mogen hebben in de ordening van ons land.

Ik wil iedereen die ik ben tegengekomen in zakelijk verband bij deze bedanken voor de steunbetuigingen en het geduld tijdens mijn ziekte en hoop dat we elkaar in 2016 in goede gezondheid, onder gelukkige omstandigheden en met het vizier vooruit tegen zullen komen.

Fijne jaarwisseling en een goed begin. Mocht je je bij dit laatste niets kunnen voorstellen, overweeg dan vrijdagavond een trip naar café ’t Anker in De Mortel, waar wij voor de tweede keer een prachtige live bandkaraoke organiseren. Vorig jaar een topavond, en we willen dat graag herhalen!

Casper

Resultaten zien: Hallo Jumbo!

IMG_8585Drie jaar geleden vroeg de ondernemer van de C1000 in Bakel mij of ik iets kon betekenen in zijn plan om de supermarkt te verplaatsen naar een door hem aangekochte locatie buiten het centrum. Na meermaals pogingen te hebben ondernomen om ter plekke uit te breiden of binnen het centrum te verhuizen zag hij dit als uiteindelijke oplossing voor zijn ruimtetekort. Mijn rol zou moeten bestaan uit het stroomlijnen van de processen richting gemeente. Uiteraard ben ik daar graag op ingegaan. De nieuwe Jumbo ging vorige week open.

Team

In de afgelopen drie jaar heb ik een bescheiden rol gespeeld in een team van mensen, die allen hun specifieke kennis of kwaliteit hebben ingebracht in het proces. Ik zeg bewust ‘bescheiden’, want het is voorwaar geen sinecure geweest om alle elementen in elkaar te laten vallen. Toen ik nog bij de gemeente werkte heb ik al eens mogen merken dat de wereld van de supermarkten zijn eigen dynamiek kent en dat hebben we geweten. Dat kon ik soms alleen maar vanaf de zijlijn zien gebeuren, al kom je ook echt wel tot zinvolle bijdragen door goed te luisteren, lezen en analyseren, ook al betreft het hogere detailhandelskunde. Juist in een divers teamverband leverde dat mooie discussies op die de hersenen aan het werk zetten (en daar hou ik van!).

Vrij snel kwam ik erachter dat het niet zomaar een verplaatsing van een supermarkt was. Er kwam zoveel meer bij kijken, meer dan een bestemmingsplannetje of vergunninkje in ieder geval. Dat veel grotere verhaal ziet niemand en dat hoeft ook niet. Het stemt bescheiden om dat eens van dichtbij te zien en doet je wel nadenken over simpele meningen in zijn algemeenheid.

Emoties

Dé supermarkt van het dorpscentrum, het hart van het winkelgebied, gaat verhuizen naar de rand van het dorp. Dat brengt wel wat teweeg. Bij klanten, medewerkers, dorpsgenoten. De ondernemer kreeg hier dagelijks mee te maken en dat krijgt dan ook terecht een rol in het proces. Hoe ga je daarmee om? Ook de eerdergenoemde dynamiek ten opzichte van de pandeigenaar en het immense Jumbo-concern bracht de nodige emotie met zich mee. Het is mede de taak van het team om dat te kanaliseren zodat zakelijk gezien de best mogelijke beslissingen genomen kunnen worden.

Ter gelegenheid van het afscheid van de ondernemer van zijn supermarkt was er een groot feest voor alle medewerkers op een zwoele zomeravond. Het was tot in de puntjes geregeld. Het warme gevoel bleef niet beperkt tot de buitenlucht; het was er ook van de medewerkers richting de ondernemer en andersom. Op dat moment voelde ik heel sterk dat ik maar een radertje was in het grotere verhaal. We proostten met ons team op de afloop van het proces. Uiteindelijk is de schop de grond in gegaan, is de voormalige meubelhandel verbouwd tot prachtige supermarkt en het omliggende terrein is verworden tot ruime parkeerplaats. Een klus is geklaard.

Hallo Jumbo!

IMG_8582

Het is eigenlijk overal hetzelfde

BoerderijHet afgelopen jaar heb ik intensief samengewerkt met een regionale makelaar. De aanleiding was het groeiend aantal vragen bij hen over wijzigingen van bestemmingsplannen, mogelijkheden en onmogelijkheden van locaties, enz. Met mij haalde het kantoor die expertise in huis. Met als gevolg dat ik te maken kreeg met veel verschillende gemeenten in veel verschillende vraagstukken. Of is het allemaal wel zo verschillend? De lessen na 1 jaar rondhangen ‘in de regio’:

1. Het is allemaal mensenwerk

Net zoals je niet kunt spreken over ‘de vluchtelingen’ of ‘de buitenlanders’ kun je ook niet spreken van ‘de ambtenaren’. Vooroordelen te over, maar heb er maar eens 1-op-1 contact mee, dan vallen de verschillen je op. En dat komt natuurlijk….omdat het verschillende mensen zijn! En ik ben zélf ook weer een ander dan de vorige adviseur die ze aan tafel hadden. Het kan klikken of niet. Iemand kan zijn dag niet hebben of zit in een moeilijk periode, omdat die reorganisatieperikelen hem persoonlijk raken. Daarom is het heerlijk werken met de een, en verloopt een ander gesprek uiterst moeizaam. Daarom krijg je voor eenzelfde situatie in de ene gemeente keihard nul op het rekest en hoor je van een ander: “Doe maar, zolang er niemand piept kan dat wel zonder vergunning.”

Het is verklaarbaar, maar daarom nog niet goed natuurlijk. Het werkt willekeur in de hand en vooral ook afhankelijkheid. Ik heb geleerd dat ik eigenlijk niet op de gepubliceerde beleidsstukken (en dat zijn er veel) kan afgaan of een plannetje kans van slagen heeft. Je wordt gedwongen om de visie van de behandelend ambtenaar daarop te aanhoren, want die kan het wel eens heel anders zien. Of gewoon niet willen. Het zou tijd en kosten schelen als dat niet nodig zou zijn.

2. Het is overal hetzelfde

Maar echt gewoon bijna letterlijk, als het gaat om bestemmingsplannen en wat je wel en niet mag. Mag ik een agrarisch bedrijf omzetten in een burgerwoning? Mag ik een caravanopslag in mijn schuur? Hoeveel mag ik bijbouwen na sloop van die oude stal? Het zijn in de kern steeds dezelfde antwoorden die je geeft, met hier en daar een accentverschil. Ik heb daar voor de makelaar eens een schema voor gemaakt op basis van de planregels in een stuk of 8 bestemmingsplannen Buitengebied. Heel veel overeenkomsten en allemaal vanuit eenzelfde basisgedachte.

De kern van de zaak: er mag wat er is. Wil je iets anders, dan moet de gemeente er een beslissing over nemen. Je kunt het bestemmingsplan wijzigen, of herzien, of een ontheffing verlenen in afwijking van een in voorbereiding zijnde herziening met gebruikmaking van de Wabo en de Bor, voordat je de omgevingsvergunning aanvraagt. Of zo. Dat heet dan “flexibiliteitsbepalingen”. Maar eigenlijk is het allerminst flexibel en wordt alles omslachtig. Uit angst waarschijnlijk dat er dingen gebeuren die een gemeente onwelgevallig zijn houdt men de controle. En dus moet elke nieuwe ingeving van een perceeleigenaar toch altijd weer langs het loket. Past dat nog wel in deze tijd? Er zijn nieuwe wetten in de maak, wellicht bieden die meer soelaas in deze maar ik verwacht van niet.

3. Er komt nog veel aan

Verreweg het merendeel van de vragen die ik op mijn bureau kreeg betrof een locatie in het buitengebied. Daar is altijd al veel aan de hand geweest, maar dat is zeker nu ook nog het geval. En steeds meer, omdat er een oplossing moet komen voor al die vrijkomende agrarische locaties. Gemeenten worstelen al jaren met het VAB-beleid, maar steeds komen er ook weer ideeën en plannen op tafel die toch weer anders worden ingestoken. Iets waar het beleid niet op gerekend had.

En dat is nog lang niet voorbij. Te vaak naar mijn zin heb ik, alles bestuderend, de conclusie getrokken: kan niet. Kan niet. Kan niet. Daar wordt Casper niet zo blij van, hoor. Maar de initiatiefnemer nog minder. Wat moet er dan met die locatie? Het is er, het staat er, het heeft een waarde. Something’s gotta give. Een regelrechte uitdaging voor iedereen die in het planologisch veld actief is, de burgers, de boeren, de buitenlui, de bestuurders. Zoals het nu gaat gaat het niet goed, iedereen draait zich vast. En dus komt het uiteindelijk goed, want ooit moet er iets gebeuren.

Heel leerzaam kunnen we dat afgelopen jaar best noemen. Het voedt ook wel mijn drang om er op bredere schaal iets aan te doen, het bespreekbaar te maken, maar of en hoe en wat, dat moet nog een beetje indalen. Met dit blog is daarin een begin gemaakt, want ik neem aan dat dit toch wel ‘vort’ regionaal gelezen wordt.

Een quote voor het ED

WoningbouwVandaag kreeg ik een telefoontje van een journalist van het ED. Of ik wilde reageren op het artikel dat vandaag is geplaatst over de visie op woningbouw in de regio (klik hier voor het artikel). Ik wilde dat graag doen, als kartrekker voor een aantal woningbouwprojecten in onze kleine kern De Mortel. Het is natuurlijk maar de vraag welke quote er in de krant komt, dat zal nooit het hele verhaal kunnen zijn. Daarom ben ik ze vast voor: dit heb ik (ongeveer) gezegd.

Het eerste wat ik dacht was een lokale uitdrukking die ook regionaal bekend is: „Nou dè wir”. Eens in de zoveel tijd komen dit soort onderwerpen voorbij. Het is een veelomvattend verhaal, dat ook niet in 1 quote te vangen is. Een visie en langetermijnperspectief is goed, daar zijn het bestuurders voor. Maar wat me wel stoort is het ontkennen van een lokale vraag en een lokaal gevoel. Een deel van de mensen maakt het inderdaad niet uit waar ze wonen. Maar heel erg veel mensen hebben een enorme sociale binding. Die willen in hún dorp wonen, hun hele leven lang. Voor dat lokaal gevoel is eigenlijk nooit een plek in het beleid en dat is al heel lang heel jammer. Het lijkt het eerste te zijn wat verdwijnt als lokale bestuurders aan regionale tafels plaatsnemen. Ondersteund door demografische beschouwingen en langetermijnontwikkelingen ontkom je ook niet aan de conclusies. Ik zie ze ook wel. 

De bedenkers van het plan schetsen een toekomst die er dus misschien wel komt, maar daar horen nog heel veel stappen tussen. Giet het niet meteen in het vat van een regionaal planningsoverleg. Laat dingen ook gewoon gebeuren. De smid is er ook niet meer, maar niet omdat een tafel vol bestuurders en projectontwikkelaars in Helmond heeft gezegd dat hij zijn handel moest opdoeken. Ík zou niet de lokale bestuurder willen zijn die tegen een dorp zegt: we hebben het in de regio besproken en alleen die groep mensen mag hier nog komen wonen.  

Wat betreft de voorzieningen zie ook ik de druk die ontstaat en ik pleit er zeker niet voor om alles maar met vrijwilligers in stand te houden. Dat gaat niet. Maar er ís ook denkkracht in de dorpen voor creatieve, hedendaagse oplossingen. En die denkkracht behoud je onder meer door woningen te bouwen, door mensen te houden van alle rangen, standen en leeftijden. Zoals een dorp is.  

Kortom: goed om een visie op de toekomst te hebben, maar faciliteer stapsgewijs het proces daarnaartoe, samen met de lokale gemeenschap. 

Aan het eind van het gesprek heb ik het (te lange) voorbeeld van onze eigen dorpswinkel genoemd. Afgelopen zomer werd ik gevraagd om met een tiental mensen, overwegend jong (35-45), de toekomst van de dorpswinkel te bepraten. Was er nog wel een toekomst? Of is het iets van vruuger, iets wat mensen niet meer willen? Zijn er andere opties, iets met internet of afhaalpunt of weet ik wat? We stonden klaar met een dorpsenquête en toen meldde zich een jong, Mortels stel dat de winkel (in een iets andere vorm en afgeslankt) voort wil zetten. Wat moet je dan doen? Moeten we tegen dat stel zeggen dat dat niet kan omdat de regio er in tegenstelling tot henzelf geen brood in ziet? Of moeten we het toejuichen en het initiatief omarmen? Zeg het maar.

Lokaal gevoel, lokale betrokkenheid is een groot goed. Dat laat zich niet sturen door een regionale tafel. En lokale bestuurders komen daar altijd weer bij uit, bij het lokale. Bij de mensen.

Dat was ongeveer wat ik te vertellen had. Ik denk dat ik de voorlaatste zin van de eerste alinea morgen teruglees, maar dat is een gokje.

 

Leefbaarheid en Ondernemen

imageDe leefbaarheid van een dorp houdt veel inwoners van een dorp bezig. Bestuurders van verenigingen proberen hun club draaiende te houden en vrijwilligers runnen de enige nog overgebleven dorpswinkel. Alles voor het in stand houden van de leefbaarheid. Oftewel: het voortbestaan van de dorpse voorzieningen. De ondernemer kan zich ook vaak bij die initiatieven aansluiten, door sponsoring met name. Maar wat krijgt hij daarvoor terug? Gaan de mensen van de volksdansvereniging ook bij de sponsorende horeca hun eigen feestjes geven? Moet dat wel? De ondernemer zucht bij weer een sponsorverzoek. Leefbaarheid en ondernemerschap lijken daarom wel eens ver van elkaar af te staan. Maar dat hóeft niet.

Een korte geschiedenis van de leefbaarheid

De strijd voor de leefbaarheid is per tijdvak anders ingekleurd. In de jaren ’60/’70 kwamen de verenigingen tot bloei. Overal werd om de zoveel tijd wel iets opgericht. De pioniersjaren, er ontstond een sociaal netwerk. Die mensen kregen in de jaren ’80 het nodige voor elkaar, vaak door zelf de handen uit de mouwen te steken. De jaren van zelfwerkzaamheid. Maar daar word je moe van, en dat leidde in de jaren ’90 tot de tendens dat de gemeente het maar voortaan moest doen. Die kón dat ook doen, want het geld klotste tegen de plinten omhoog. In de jaren ’00 is dan ook veel geïnvesteerd in voorzieningen. Totdat het geld op was. De gemeente onttrok zich aan het initiatief en de burger moest het gaan doen. En dat gebeurt ook. Burgerparticipatie is een bekend verschijnsel.

Maar er is wel iets veranderd. Want zelf een kiosk in elkaar timmeren, een dorpswinkel runnen, sportvoorzieningen zelf realiseren: vind er maar eens de mensen voor die er de tijd in willen steken. Ze zijn er zeker, maar het zijn wel steeds dezelfde (dat is altijd al zo geweest) en de wereld zit ook anders in elkaar. Druk, druk, druk en rendementsdenken beheersen de gedachten. Je houdt het wel even vol, maar minder lang dan vroeger zie ik om me heen. Ik ben er daarom ook van overtuigd dat je veel leefbaarheidsprojecten anders in moet steken. Professioneler.

In mijn eigen dorp De Mortel mag ik mij bemoeien met twee van die projecten. In het gebied rondom het sportpark wordt door de ondernemers zelf ruimte gemaakt voor een woon-werklocatie, waarvan de opbrengst ten goede komt aan een kunstgrasveld voor de voetbalclub. En aan het nieuwe dorpsplein wordt een nieuwe bouwlocatie ontwikkeld voor senioren, door het dorp zelf. Regelrechte gebiedsontwikkeling en bottom-up, met de gemeente in een faciliterende rol. En leefbaarheidsprojecten pur sang. Ik ben daarbij betrokken als professional én als dorpsgenoot, en die combinatie maakt het wel interessant en bijzonder. En ik ben zeker niet de enige.

Professionals met een dorpshart

Een meer professionele inslag, of ondernemende inslag zo u wilt, kunnen we ook goed gebruiken bij toekomstige vraagstukken over bijvoorbeeld de dorpswinkel en de kerk. De vernieuwende denkkracht van ondernemers is uitstekend in te zetten. Dat hoeft niet voor niks: een adviseur zoals ik kan er direct wat aan hebben, maar ook indirect kan het wat opleveren. Want meer woningen in een dorp = meer klanten voor de kapper = meer tuinen = meer zwembaden, enz. enz. Leefbaarheid is meer dan het verenigingsleven, het is ook gewoon keiharde economie.

Mijn pleidooi: kijk niet wat het dorp voor jou kan doen, maar wat jij kunt doen voor het dorp als ondernemer. En niet als sponsor die geld geeft, maar als denker en als doener. Investeer je ondernemerskracht en creativiteit. Professionals met een dorpshart zijn hard nodig om de leefbaarheidsprojecten van nu zo tegemoet te treden dat ze in deze tijd kans van slagen hebben. Dan gaat een dorp écht met zijn tijd mee.